Lezing over vlinders en klimaatverandering

28-05-2026

Dit is een samenvatting van de lezing van Kars Veling (Vlinderstichting), gehouden op 28 mei 2026 in het verenigingsgebouw van volkstuinpark de Bongerd. Alle afbeeldingen komen uit zijn presentatie.

 

Het klimaat in Nederland verandert. De temperaturen stijgen, vooral in de lente en de herfst, en er valt meer neerslag, met name in de winter. Daarnaast krijgen we steeds vaker te maken met extreme weersomstandigheden, zoals langdurige droogte, hittegolven en hevige regenbuien. Kortom: ons klimaat wordt warmer, natter en grilliger – en die ontwikkeling zet de komende jaren verder door.

Deze veranderingen hebben grote gevolgen voor vlinders (en libellen). Hun levenscyclus is namelijk sterk afhankelijk van temperatuur, neerslag en de beschikbaarheid van voedsel.

Een van de meest opvallende effecten is de verschuiving van de vliegtijd. Sommige soorten verschijnen steeds eerder in het jaar. Zo zorgt het boomblauwtje tegenwoordig al twee weken eerder voor nageslacht dan de generaties uit de periode 1990 tot 2011. Ook overwinteren steeds meer atalanta’s in Nederland. De citroenvlinder en de gehakkelde aurelia doen dat al langer. Deze soorten kunnen een soort natuurlijke antivries aanmaken, waardoor ze strenge winters overleven. Atalanta’s beschikken niet over die eigenschap en lopen daardoor meer risico wanneer de winter toch onverwacht koud wordt.

Klimaatverandering beïnvloedt de onderlinge relaties tussen soorten. In 1980 viel de piek in het voedselaanbod van rupsen nog samen met de periode waarin jonge mezen het meeste voedsel nodig hadden: tussen half mei en begin juni. Doordat vlinders tegenwoordig eerder eitjes leggen, is die voedselpiek ongeveer twee weken naar voren geschoven. Mezen moeten hun broedseizoen daarom aanpassen. Gebeurt dat niet, dan krijgen hun jongen onvoldoende voedsel.

Door de hogere temperaturen kunnen sommige vlindersoorten bovendien extra generaties voortbrengen. De dagpauwoog kan tegenwoordig zelfs begin september nog aan een nieuwe generatie beginnen. Dat brengt echter ook risico’s met zich mee: de rupsen moeten zich snel ontwikkelen, want zodra de temperaturen dalen, wordt het te koud om voldoende te groeien, en te verpoppen. Bij de dagpauwoog overwintert alleen de volwassen vlinder.

Ook het leefgebied van vlinders verandert. Hete, droge zomers en juist extreem natte periodes kunnen funest zijn voor rupsen en pas uitgekomen vlinders. Door droogte verdrogen waardplanten of worden ze taai en minder geschikt als voedsel. Bovendien kunnen natuurgebieden inklinken. Aan de andere kant zorgen hevige regenbuien ervoor dat gebieden onder water komen te staan, waardoor rupsen kunnen verdrinken.

Ten slotte verschuift het verspreidingsgebied van verschillende soorten. Warmteminnende vlinders uit Zuid-Europa, zoals de koninginnenpage, profiteren van de stijgende temperaturen en komen steeds vaker voor in Nederland. Soorten die hier van oudsher goed gedijen, trekken – als ze voldoende mobiel zijn – juist noordwaarts, richting Scandinavië. Minder mobiele soorten, zoals het gentiaanblauwtje, kunnen niet eenvoudig uitwijken en lopen daardoor een groter risico om te verdwijnen uit gebieden waar de omstandigheden ongunstig worden.

Klimaatverandering heeft dus niet alleen invloed op het weer, maar ook op de kwetsbare balans in de natuur. Vlinders laten ons zien hoe ingrijpend die veranderingen kunnen zijn.