ecologisch onderzoek
Het ecologisch onderzoek wordt uitgevoerd door Natuurlijke Zaken (NZ). De gemeente betaalt dit onderzoek uit de gelden van Aanpak Noord, de Adviesgroep (samengesteld uit bewoners van dit deel van Amsterdam Noord) is de opdrachtgever. Het onderzoek is gestart in december 2023 en wordt september/oktober 2024 afgerond. Meer over het onderzoek.
Leden van de adviesgroep en buurtbewoners doen ook onderzoek, het zogenaamde citizen science (burgerwetenschap), regelmatig onder begeleiding van Natuurlijke Zaken.
Paddenstoelen in de Kadoelerscheg
06 november 2025
Deze herfst hebben we goed gekeken naar de paddenstoelen in de Kadoelerscheg. We riepen mensen op om hun waarnemingen in te voeren op waarneming.nl. Nu het paddenstoelenseizoen bijna voorbij is, kunnen we de balans opmaken. En wat blijkt? Er zijn verrassend veel soorten te vinden in dit stedelijke gebied: 126 waarnemingen van ongeveer 66 soorten. Een mooi resultaat! Een selectie hieruit kun je hier downloaden als poster.
Wat zijn paddenstoelen eigenlijk?
Paddenstoelen zijn de vruchtlichamen van schimmels, zoals appels de vruchtlichamen zijn van de appelboom. De schimmel zelf bestaat uit dunne draden die je meestal niet ziet. Als de omstandigheden goed zijn – vaak in de herfst – vormen deze draden een paddenstoel. Die maakt miljoenen sporen aan, die weer kunnen uitgroeien tot nieuwe schimmels.
Schimmels leven van dood of soms levend organisch materiaal, zoals hout of bladeren. Ze hebben geen bladgroen en maken dus geen suikers via fotosynthese. Sommige soorten werken samen met bomen: ze vormen een symbiose met de wortels. De schimmel geeft mineralen aan de boom en krijgt suikers terug. Zulke soorten noemen we ectomycorrhiza-vormers. Ongeveer 21% van de gevonden soorten valt in deze groep, zoals boleten, russula’s en melkzwammen.
Waar groeien ze?
In de Kadoelerscheg staan veel oude populieren. Daarbij vonden we soorten als de harde populierenboleet en de vaaggegordelde melkzwam. De baardige melkzwam groeit juist bij berken.
Sommige paddenstoelen groeien altijd op hout, zoals het elfenbankje en de zwavelkop. Ongeveer 40% van de soorten groeit op hout of houtsnippers. Omdat de gemeente vaak oude bomen en stronken laat liggen, vinden we daar ook soorten zoals het viltige judasoor – een paddenstoel die aanvoelt als kraakbeen.
Andere soorten leven van de strooisellaag (dood blad en plantenresten). Die noemen we saprofyten. Ongeveer 36% van de soorten valt in deze groep. Een opvallend voorbeeld is de reuzenbovist: een grote, witte bol die zo groot kan worden als een voetbal.
Paddenstoelen in de stad
Sommige soorten voelen zich thuis in de stad. Zo groeit de straatchampignon tussen stoeptegels of langs het asfalt. Er zijn meerdere champignonsoorten in de Kadoelerscheg, maar let op: niet alle zijn eetbaar.
Bijzondere soorten
Bijzondere paddenstoelen vind je vaak op plekken met weinig voedsel, zoals schrale bermen. In een paar kleine (geheime) stukjes berm vonden we soorten als vezelkoppen, satijnzwammen, vaalhoeden, boleten, melkzwammen en zelfs gordijnzwammen.
Sommige soorten zijn lastig op naam te brengen. Daarvoor heb je een microscoop, ervaring of zelfs DNA-onderzoek nodig. Dat geldt bijvoorbeeld voor gordijnzwammen, russula’s, franjehoeden en satijnzwammen. We konden dan ook niet alles precies determineren.
Kleurrijke vondsten
Toch zagen we veel mooie soorten, zoals de lila satijnvezelkop met zijn paarse kleur, en de blauwgrijze schorsmycena, een piepklein paddenstoeltje dat tussen het mos op boomstammen groeit.
We hebben een aantal soorten op een poster gezet, zodat iedereen kan zien wat er allemaal groeit in de buurt. Ga vooral zelf op pad en kijk goed om je heen. Maar laat de paddenstoelen staan, zodat ook anderen ervan kunnen genieten!
Michiel de Goeje
Fotografie: Michiel de Goeje (behalve blauwe kaaszwam en oranje aderzwam - Nynke de Vries, geel hoorntje - Harry Moeskops en spekzwoerdzwam - Henk van Alst)
Dagvlinders in de Kadoelerscheg
16 juli 2025
Als de zon schijnt zie je ze overal in de scheg, met hun gefladder en aantrekkelijke kleuren. Daarom stond de afgelopen week in het teken van dagvlinders — verrassend talrijk, ondanks een droog voorjaar."
Tijdens de eerste maanden van dit jaar tot in mei is er geen tot nauwelijks regen gevallen in de Kadoelerscheg, in heel Nederland was het uitzonderlijk droog. Hierdoor verdorde veel vegetatie of kwamen bepaalde planten amper tot wasdom. Dat had natuurlijk een effect op insecten als de dagvlinders. We waren benieuwd hoe het nu gaat met de ontwikkeling van deze mooie groep dieren. Daarom hebben een aantal leden van de Adviescommissie in de afgelopen weken hun best gedaan om foto’s te maken van dagvlinders, wat een mooie verzameling opleverde. Hierbij de vlinders die we afgelopen week hebben gezien. Leuk om zelf ook eens te kijken welke vlinders je hier in de Scheg kunt vinden.
In Nederland komen ongeveer 53 soorten dagvlinders voor. In de scheg zijn er tot nu toe 27 soorten waargenomen. Een vlinder legt eitjes waaruit een rups komt. Rupsen eten veel en groeien snel tot ze zich verpoppen en uit de pop weer een vlinder komt. De vlinder is het volwassen dier, dat 'imago' wordt genoemd. De stadia van eitje naar rups, pop en vlinder noemen we de cyclus. Per jaar kunnen er meerdere generaties zijn, afhankelijk van de soort vlinder en (weers)omstandigheden. Vaak zie je dat wanneer er een slecht voorjaar voor dagvlinders is, dat dit in het najaar gecompenseerd wordt met een nieuwe extra generatie. Rupsen van bepaalde soorten eten vaak van specifieke planten. Dit noemen we de waardplanten. Bijvoorbeeld de brandnetel is een belangrijke waardplant voor de rupsen van de Dagpauwoog en Atalanta, Kleine Vos, Landkaartje en Gehakkelde Aurelia.
In het voorjaar werden bijna alarmerend weinig vlinders gezien in de Kadoelerscheg en plots zagen we er in de warme, zonnige junimaand vrij veel vliegen; toen zijn we dus op zoek gegaan naar de vlinders om ze te fotograferen. De volgende soorten hebben we gespot:
1. Zwartsprietdikkopje
Dit kleine vlindertje zie je vooral in bloemrijk grasland, het zit vaker stil dan dat het vliegt. Het is een zeldzaam vlindertje in onze scheg, in Nederland algemeen. Het vlindertje vliegt in juli en augustus, dus niet in het voorjaar.
2. Groot Koolwitje
Deze “grote” soort, die tot de Witjes behoort is een enkele keer gezien. Deze vlinder is iets groter dan Klein Koolwitje en Klein Geaderd Witje en de zwarte vlek op de bovenkant van de voorvleugelpunt is ook groter dan bij andere witjes en loopt langer door langs de rand naar beneden. We konden er een aantal zien vliegen.
3. Klein Koolwitje
Dit is een algemene vlinder in Nederland en in de scheg, die wat zenuwachtig op zoek gaat naar nectar en daarom niet zo makkelijk te fotograferen is. We kwamen deze soort algemeen tegen.
4. Klein Geaderd Witje
En dit witje is te herkennen aan grijsgekleurde aders op de vleugels, in de vlucht niet altijd makkelijk te zien. Als de vlinder met gesloten vleugels op een bloem zit, zijn die aders makkelijk waar te nemen. Een algemene soort.
5. Citroenvlinder
Het mannetje van deze vroeg in het voorjaar vliegende vlinder is citroengeel, maar het vrouwtje is bijna wit. Toch is het vrouwtje makkelijk te onderscheiden van de witjes omdat de vlinder een aantal vlekjes heeft op de vleugels. We hebben er maar een paar gezien in de afgelopen week, maar meer in het voorjaar.
6. Kleine Vuurvlinder
In het voorjaar hebben we dit kleine vlindertje met opvallend oranje gekleurde vleugels met zwarte vlekjes niet gezien. Gelukkig is het vlindertje wel in de afgelopen week gespot, maar het is zeker niet algemeen. Het vliegt vooral in de zomer en het najaar.
7. Boomblauwtje
Deze kleine, lichtblauw gekleurde vlinder, hadden we al vroeg in het voorjaar gezien en ook in de afgelopen week. Dit “blauwtje” is, zoals de naam zegt, vaker bij bomen en in tuinen te zien dat haar neefjes en nichtjes. Ze vliegt vaak ook wat hoger dan het Icarusblauwtje.
8. Icarusblauwtje
Dit donkerder gekleurde, blauwe, kleine vlindertje was een vrij algemeen vlindertje in bloemrijke bermen en graslanden maar is toch weinig gezien deze week in de scheg. Maar gelukkig konden we het beestje fotograferen. Het Bruin Blauwtje is zeker te verwachten in onze scheg, maar die is niet waargenomen.
9. Dagpauwoog
Deze grotere vlinder met prachtige “ogen” op de vleugels is in het voorjaar en in de afgelopen week algemeen gezien.
10. Distelvlinder
Deze trekvlinder is een enkele keer gezien, maar niet in de afgelopen week, en dat past bij zijn gedrag. Afhankelijk van zijn succes in zuidelijk gelegen landen is de soort weinig of veel te zien in Nederland.
11. Atalanta
Ook de Atalanta met zijn mooie witte vlekken op zwarte ondergrond en rood gekleurde banden op de bovenvleugels, is ook een trekvlinder. Maar deze soort is beter bestand tegen koude winters en kan daarom het hele jaar worden gezien in onze scheg. We vonden de soort op veel plaatsen in de afgelopen week.
12. Kleine Vos
De Kleine Vos is in Nederland zeldzaam geworden. We zagen toch in het voorjaar regelmatig Kleine Vossen vliegen en in de afgelopen week maar een enkel exemplaar. Zijn vliegtijd is april en juli tot september.
13. Gehakkelde Aurelia
Deze middelgrote vlinder is licht oranje gekleurd en als hij stilzit zie je de “gekartelde” randen van de vleugels. Deze vlinder hebben we een aantal malen aangetroffen, vooral in tuinen.
14. Bruin Zandoogje
Deze vlinder is algemeen in kruidenrijke graslanden en bermen, in geheel Europa algemeen, maar toch typerend voor als je de soort ergens anders ziet dan in grasland. Dan is dat grasland eigenlijk ecologisch laag in waarde. In de afgelopen week vaak gezien in graslanden waar bloemen in staan, zoals in de Wilmkebreekpolder. Het mannetje is donkerbruin gekleurd en heeft een moeilijk zichtbaar “oog” op de bovenvleugels. Het vrouwtje is lichter gekleurd en laat haar “ogen” wel duidelijk zien.
15. Bont Zandoogje
Deze soort treffen we opvallend vaak aan maar vaker bij bosjes dan in grasland. Het lijkt dat deze soort, die vroeger zeker niet algemeen was in Amsterdam, zelfs zeldzaam, het goed doet in een stedelijke omgeving. De mannetjes en vrouwtjes zijn bruin gekleurd met een opvallend geeloranje-kleurig vlekkenpatroon op de vleugels, vaak zitten en vliegen er meerdere exemplaren bij elkaar.
16. Kolibrievlinder
De kolibrievlinder, een vrij kleine vlinder met een heel snelle vleugelslag die voor een bloem stil kan blijven hangen en dan nectar drinkt met zijn lange roltong. Het is een zuidelijke soort die steeds meer in Nederland en dus ook de Kadoelerscheg wordt waargenomen.
17. Muntvlinder
Een heel klein vlindertje dat algemeen voorkomt. We zagen het in een van de tuinen deze week.
18. Koniginnenpage
Een prachtige vlinder die zo nu en dan opduikt in de scheg. Opvallend zijn de 'staartjes' aan de achtervleugel. Begin juli gezien in een tuin in de scheg, zie de vermelding op waarneming.nl
Als laatste willen we de Eikenpage noemen. Deze in onze scheg zeldzame vlindersoort hebben we niet gezien maar we hebben er ook niet naar gezocht in haar specifieke biotoop, namelijk de Zomereik in een bos. De soort is door twee waarnemers gezien in juli in het Buiksloterbreekpark.
Tekst: Michiel de Goeje en Tello Neckheim
Foto's: Henk van Alst, Michiel de Goeje en Tello Neckheim
04 juli 2025
Ik neem jullie graag mee de tuin in op zoek naar wilde bijen, die tot nu toe dit jaar waargenomen zijn. Hommels zijn ook wilde bijen, dus die tellen ook mee. Vorig jaar zijn er flink wat zaden van inheemse planten uitgestrooid en zijn er tweejarigen opgekweekt. Omdat veel exoten zijn ingewisseld voor inheemse planten, krijgen die nu meer ruimte en is er een heel afwisselend bloemenaanbod ontstaan. Eigenlijk best onnatuurlijk, want deze diversiteit aan planten kom je in de natuur niet gauw tegen op zo’n klein oppervlak.
We bezoeken de bijen zoveel mogelijk in chronologische volgorde zoals ik ze bij de eerste waarneming in de tuin ben tegengekomen.
02 maart: Aardhommel. Onmiskenbaar door de zwart-geel-zwart-geel-zwart-wit-tekening. Dit is vaak de eerste soort hommel die je in het voorjaar tegenkomt en is actief vanaf maart tot oktober). Hommels zijn dicht behaard en kunnen goed tegen kou. In het voorjaar halen ze nectar uit bloeiende bloembollen en schakelen daarna over op andere vroegbloeiers, zoals struiken, Prunus en Wilg. Rond half mei bloeit de Adderwortel en daar foerageren ze ook graag op, maar het is een hommel met weinig bloemvoorkeur. Als ze veel moeite moeten doen om bij de nectar te komen dan breken ze bij de bloem in, zoals bij Akelei. Hommels hebben een lange tong en daarmee bereiken ze de nectar wel, maar het gaat sneller als ze aan de buitenkant dag deel doorbijten waar de nectar zit. Er vindt dan geen bestuiving plaats. Andere insecten, die geen lange tong hebben, maken daar weer dankbaar gebruik van.
05 april: Gewone sachembij. Een hommelachtige en behaarde voorjaarsbij die vaak te vinden is bij Kruipende smeerwortel. Op deze vroege bloeier zie je eerst de mannetjes in een ongelooflijke snelheid voorbijvliegen om na een korte nectarstop weer verder te scheuren. Later in hun seizoen, van maart tot half juni, heb je meer kans om een rustiger vrouwtje hangend aan een bloem te fotograferen. Als je een flinke brok leem op een beschutte plek zet, dan heb je een grote kans dat daar een nest in gemaakt wordt.
05 april: Rosse metselbij. Deze bij is heel goed te bekijken. Als je een bijenhotel hebt, kun je goed meemaken hoe ze een nestje maken. Bij het bijenhotel zitten de net uitgeslopen mannetjes te wachten op de vrouwtjes. Zodra die uit hun broedcel kruipen proberen ze met hen te paren. Daarna vliegen de vrouwtjes af en aan met nectar en stuifmeel om voor hun nageslacht te zorgen. De Rosse metselbij is actief van begin maart tot eind juni. Fruitbomen staan dan ook in bloei en daar zitten ze graag op, maar ook op Speenkruid en andere vroegbloeiers. Hou ook de stam van bomen in de gaten, want op de boomschors kunnen ze uit de wind zitten zonnen en weer nieuwe energie opdoen. Het zijn goede bevruchters (beter dan Honingbijen) en daarom wordt hij bij fruitkwekerijen steeds vaker gekweekt.
10 april: Groefbij. Er zijn veel soorten groefbijen en de bij op de foto is waarschijnlijk een bandgroefbij, maar ook daarvan zijn er meerdere soorten. Het is lastig om ze goed op naam te krijgen en dat is me in de jaren dat ik insecten fotografeer nog niet één keer gelukt. De groef is centraal geplaatst op het laatste deel van het achterlijf. (Op deze foto niet te zien.)
11 april. Roodgatje. Een algemeen voorkomende zandbij die je vanaf half maart tot begin juli kunt vinden. Het vrouwtje is makkelijk te herkennen aan de rode achterlijfspunt, maar bij een mannetje is die lastiger te zien. Voor de paring lokt het mannetje het vrouwtje met geur. Ze foerageren op Wilg, Meidoorn en fruitbomen, maar ook op Bosanemoon, Fluitekruid, Klein hoefblad, Boterbloem enz.
5 mei: Steenhommel. In maart zie je soms al de eerste grote hommels vliegen en dat zijn de koninginnen. Zij hebben de winter op een rustig plekje overleefd en zijn nu druk bezig om zich aan te sterken. Daarna zoeken ze een geschikte locatie, vaak ondergronds, om een volk te beginnen. Voorjaarsbijen kunnen niet kieskeurig zijn, maar gelukkig zijn er bloeiende planten als Paardenbloem en bomen zoals Prunus en Wilg. De Steenhommel is een donkere hommel met een bruin-oranje achterlijfspunt.
20 mei: Grote klokjesbij. Vorig jaar heb ik Ruig klokje gezaaid en nog voor de winter al flinke planten geplaatst. Die staan dit jaar te bloeien en worden dankbaar bezocht door de Grote klokjesbij. Er vliegen soms wel 10 bijtjes rondom de stengels met bloemen. Je kunt ze dus op deze manier makkelijk naar je tuin lokken.
26 mei: Dikkopbloedbij. Bloedbijen herken je snel aan het rode achterlichaam. Deze koekoeksbij parasiteert op de Roodpotige groefbij en Gewone geurgroefbij (zit er vrijwel elk jaar, maar nu nog niet gezien). De Dikkopbloedbij legt haar eieren in de nesten van gastheer en de larven eten vervolgens de larven van de gastheerbij op. Daarna eten ze de voorraad nectar en stuifmeel, die oorspronkelijk voor de gastheerlarve bedoeld was. Het is een goed teken om dit soort parasieten te zien, want het betekent dat er ruim voedsel voorradig is. Op de foto is een vrouwtje te zien op Zevenblad. Op zulke composieten foerageren ze graag. Het is een algemeen voorkomende bloedbij en ook het hele jaar te zien, maar deze waarneming is voor mij het eerst in de tuin.
26 mei: Fluitenkruidbij. Ook dit is een eerste waarneming. Ze zijn van begin april tot eind juli te vinden. Dit jaar staat het Zevenblad uitbundig te groeien, want op hun schermbloemen zitten een breed scala aan insecten. Ze foerageren ook op andere schermbloemigen zoals Fluitenkruid, Berenklauw en Kervel. De Fluitenkruidbij is een zandbij. Daarvan zijn er in Nederland ongeveer 80 soorten. Het voordeel van een nest bouwen in de grond is dat het klimaat onder de grond redelijk stabiel is. Je hebt als bij dan wel een inwendige wekker nodig om te weten wanneer je het volgende jaar weer naar buiten moet.
26 mei: Grote bladsnijder. Het mannetje op de foto zit even te zonnen. Hij is actief van half mei tot eind augustus en foerageert op rolklavers, distels, klokjes en Wilgenroosje. In het bijenhotel zit ie graag te slapen en zit dan met zijn kop naar de uitgang.
26 Mei: Ranonkelbij. Deze klokjesbij vind je niet op Ruig klokje, maar op Boterbloem (Ranunculus in het Latijn). Actief van half april tot eind juli. Het vrouwtje maakt haar nest in holtes van bomen, in holle stengels en soms in bijenhotels.
26 mei: Wormkruidbij. De wormkruidbij is een zijdebij en dat refereert aan het materiaal dat het vrouwtje aan de binnenzijde van het nest in de grond maakt. Die is schimmelwerend en waterafstotend. De bij is onderdeel van drie erg op elkaar lijkende soorten en dat wordt dan een soortencomplex genoemd. Ze foerageren op Boerenwormkruid, maar ook op Duizendblad, Kamille en Margriet. Je kunt ze vinden van eind mei tot eind september. Het was dus een vroege vondst.
26 mei: Gewone maskerbij. Een klein zwart solitair bijtje van 4-5 mm. met een geel masker op het voorhoofd. Van half mei tot eind september actief en bezoekt composieten en schermbloemen. Een algemeen voorkomend bijtje.
03 juni: Tronkenbij. Als de Tronkenbijen actief worden, zo rond half mei, dan worden eerst de oude nesten helemaal leeggehaald. Dat is goed te zien als je een bijenhotel hebt, want dan ligt er een geel spoor onderaan het hotel. De mannetjes met een gekromd achterlijfje zitten rond het hotel de vrouwtjes met hun oranje buikschuiers in de gaten te houden. Het is een solitaire bij, maar ze zitten graag met een hoop bij elkaar. Bij warm weer gonst het voor het hotel. Ze vliegen graag op gele composieten zoals Reukeloze kamille, Jacobskruiskruid en straks op Heelblaadje. Het is een leuke bij om te observeren.
03 juni: Grote wolbij. Het is een flinke bij die iets op een wesp lijkt maar veel ronder is. Dit vind ikzelf de leukste bij. Hij is niet bang en verdedigt zijn territorium fel. Met de stekels op zijn achterlijf kan hij trouwens een hommel flink beschadigen. Alleen de vrouwtjes mogen bij ‘zijn’ bloemen komen foerageren. Hij is dus goed te bekijken. Rond mei verschijnen ze als de eerste Bosandoorns bloeien. Ze vliegen op Betonie en andere andoornsoorten, maar ook Hartgepan wordt goed bezocht.
03 juni: Andoornbij. Deze bij hoort bij de sachembijen, dat zijn stevige en snel vliegende bijen. Het is een kwetsbare bij die je maar sporadisch ziet, maar hij komt elk jaar trouw terug. Er wordt voor gezorgd dat er zo lang mogelijk nectar is met vroegbloeiende Bosandoorn dan Betonie en ten slotte Moerasandoorn in de buurt. Omdat ze hun nest in rottend hout maken, liggen er hier en daar rottende stronken in verschillende stadia. Ik weet namelijk niet hoe ver het hout verrot moet zijn.
14 juni: Blauwe metselbij. Na een paar jaar weggeweest weer gezien in de buurt van een mogelijke nestholte. Dat kunnen allerlei soorten gaten en holen zijn. Ze foerageren op Hondsdraf, Kattenkruid en andoornsoorten.
15 juni: Tweekleurige zandbij. Ik heb een foto van vorig jaar genomen om een vrouwtje te laten zien, want de foto van dit jaar was vrij wazig. Ze heeft een roodbruin borststuk en donker achterlijf en verzamelt het stuifmeel in de haren van haar achterpoten. Ze zijn niet kieskeurig met bloembezoek, zoals Wilg, Paardenbloem, Klein hoefblad, Speenkruid en andere vroegbloeiers. Zij maken een nest in de grond. Sinds ik dat weet, schoffel ik niet meer en ben behoedzaam met in de grond wroeten. Een tweede generatie van deze bij zie je soms nog verder in het seizoen.
25 juni: Gewone slobkousbij. Als je Puntwederik of beter nog Grote wederik in de tuin hebt, dan is daar zeer waarschijnlijk ook deze donkere bij te vinden van 7-8 mm. Vooral het vrouwtje is opvallend met witte haren op haar achterpoot, waarmee ze de stuifmeel en olie uit de bloem verzamelt en naar haar nest kan brengen. Grote wederik groeit in vochtige aarde en daar maakt deze bij ook haar nest. De olieachtige substantie uit de bloem beschermt haar nest tegen water.
25 juni: Gewone tubebij. Dit is de koekoeksbij op de Tronkenbij en is actief van eind mei tot september als de Tronkenbij druk bezig is met het verzamelen van nectar en stuifmeel. De Gewone tubebij in net zo groot, zo’n 7 mm., als de Tronkenbij. Ze lijken ook op elkaar, alleen heeft de gewone tubebij geen oranje buikschuier. Ze dringt het nest binnen, legt daar haar eitje en verstopt die in het bijenbroodje, de voedselvoorraad van stuifmeel en nectar voor de larve. Ze foerageert ook graag op gele composieten, zoals haar gastheer.
25 juni: Klokjesdikpoot. Actief van begin juni tot eind september. Ze verzamelen stuifmeel op allerlei soorten klokjes, zoals het Ruig klokje. (Dat is trouwens een dankbare plant en goed slakkenbestendig.) Ze maakt haar nest in de grond.
28 juni: Tuinbladsnijder. Deze bladsnijder is vaker in een stedelijke omgeving te vinden en te herkennen aan de oranje ‘buikschuier’; dat zijn de haren onder op het achterlijf. Zo’n buikschuier vind je bij meerdere bijensoorten en is bedoeld om nectar van de plant naar het nest te vervoeren. Bij de Tuinbladsnijder is die goed te zien.
Je kunt snel zien dat het een soort bladsnijder is, omdat ze met een omhooggehouden achterlijf nectar drinken, een hele kenmerkende positie. Soms zie je een vrouwtje rondvliegen met een rond stukje blad in haar bek. Daarmee bekleedt ze haar nestholte. Ze zijn van begin mei tot eind september actief.
30 juni: Boomhommel. Deze hommel is makkelijk te onderscheiden door zijn oranjebruine borststuk en zwart achterlijf met een witte punt. De werksters foerageren graag op Braam, Roos en Smeerwortel. De eerste Boomhommel zag ik dit jaar op 24 mei, maar ik laat nu een koningin zien van eind juni vorig jaar. Ik had eerder al geschreven dat grote hommels in het voorjaar koninginnen zijn, maar als zij eenmaal bezig is met haar volk, dan komt ze niet meer uit het nest. Vreemd dus om deze koningin gewoon te zien. Onlangs sprak ik een bijenkenner en hij vertelde me dat zulke koninginnen waarschijnlijk zijn besmet met aaltjes. Ze is niet in staat een volk te starten en als ze dat toch zou doen dan zou ze de larven besmetten.
03 juli: Wimperflankzandbij. Het Grijskruid bloeit uitbundig en daar kon ik deze zandbij fotograferen. Te herkennen aan de roodbruine beharing op de rug van het borststuk en het ‘kale’ achterlijf met drie witte streepjes (haarbandjes op de rugplaatjes) en opvallende haartjes op achterpoot. Ze zijn al actief van eind maart tot eind mei en de tweede generatie van begin juni tot eind augustus. De zomergeneratie foerageert vooral op Braam, distels en schermbloemen.
03 juli: Variabele wespbij. Actief van maart tot en met augustus en foerageert op Braam en Jacobskruiskruid en andere bloemen. Op de foto te zien op Grijskruid. Dit is een koekoeksbij en is pas sinds 1995 waargenomen in Nederland. Daarna heeft ze haar territorium langzaamaan uitgebreid en wordt nu dus ook in tuinen waargenomen. Ze parasiteert waarschijnlijk alleen op de Wimperflankzandbij.
03 juli. Geurgroefbij. Er zijn in Nederland twee soorten geurgroefbijen die op foto nauwelijks van elkaar te onderscheiden zijn. Ze heten zo omdat het vrouwtje een zoete geur verspreidt, maar wat de functie daarvan is, dat kan ik niet vinden. Wellicht heeft het te maken om er mannetjes mee te lokken. Om hun nest te maken, zoeken ze een lichte, zanderige bodem. Op de foto is een Geurgroefbij te zien op Knopig helmkruid, maar ze foerageren vooral op gele composieten, Braam en Sporkehout. Dit is een klein bijtje van slechts 6 mm.
03 juli: Akkerhommel. Dit is de meest algemene hommel in Nederland die je van maart tot eind oktober kunt vinden, maar dit jaar veel minder aanwezig in de tuin. Misschien hadden ze vorig jaar last van het natte voorjaar, waardoor hun nesten doodgingen? Er waren wel al eerder in het jaar Akkerhommels aanwezig, maar omdat hij zo gewoon is, kwam hij niet in beeld. Ze bezoeken een breed scala aan bloemen. Op de foto een werkster te zien op Betonie. Enkele jaren geleden vond ik tussen Kruipende smeerwortel een nestje op de grond.
03 juli: Weidehommel. Deze hommel heeft dezelfde tekening als de Aardhommel, maar in plaats van een witte kont heeft de Weidehommel een oranje kont. Deze hommel is dit jaar juist veel in de tuin te zien. Ze maakt haar nest in ondergrondse muizenholen. Braam, Wilg en Smeerwortel zijn hun favorieten planten om te foerageren.
03 juli: Grote koekoekshommel. Dit zijn flinke hommels, die je op Veronicastrum of enkelbloemige Dahlia’s kunt vinden. Je kunt ze makkelijk herkennen omdat ze geen gele middenband hebben. Ze bezoeken allerlei bloemen, vooral exoten zoals hierboven beschreven. Er leven in Nederland 7 soorten koekoekshommels. De Grote koekoekshommel parasiteert op de Aardhommel. Ze lijken erg op hun gasthommel en kunnen daardoor makkelijk in het nest binnendringen. Ze blijf eerst een hele tijd stil zitten en neemt de geur van de andere hommels op en wrijft daarmee haar vacht in. Dan verjaagt ze de gastkoningin of steekt haar dood en begint dan zelf eitjes te leggen. De werksters van de Aardhommel verzorgen dan de larven van de Koekoekshommel. Zelf kunnen ze geen stuifmeel naar het nest brengen.
Henk van Alst
27 mei 2025
Verslag van de excursie met Tello door het Kadoelerduin.
Op woensdag 21 mei nam Tello de deelnemers van deze excursie mee door het Kadoelerduin. Michiel, Peter en Henk waren bepakt met verrekijker en macrolens om gewone en bijzondere planten en beesten te zoeken. Onderwijl vertelde Tello, een echte naturalist, over het gebied met zijn verschillende biotopen.
We begonnen op het Vikingpad bij het voetbalveldje en zouden de IJdoornlaan niet halen, want er was teveel om bij stil te staan. Wat natuurlijk als eerste vooral opviel was de enorme droogte. Hier en daar begon de aarde al scheuren te vertonen. Veel planten komen niet of slechts moeizaam op. Soorten die goed tegen droogte kunnen, doen het wel goed zoals Grote Centaurie, Gewone Margriet en Steenanjer. Ook de braam staat in volle glorie en zal binnenkort massaal bloeien. Daar zullen veel insecten dankbaar gebruik van gaan maken.
Op de voet van de Landsmeerderdijk staat een grote groep Grote Centaurie te bloeien tussen het bloeiende gras van Glanshaver.
Grote Centaurie
Grote Centaurie is een plant die eigenlijk hier niet zo vaak van nature voorkomt maar meer van het rivierengebied. Het wordt vaak in zaadmengsels gebruikt voor de inzaai van nieuwe dijken. In ieder geval heeft deze plant het hier naar de zin. Dat klopt ook wel als we naar de andere planten in de buurt kijken. De vegetatie heeft namelijk veel kenmerken van de 'glanshaver-associatie' die veel op dijken voorkomt. Groot Streepzaad hoort hier ook bij. Wel is het stuk nogal verruigd wat te zien is aan de talrijke braam die niet thuishoort in deze 'glanshaver-associatie'. Grote Centaurie is niet algemeen, maar de naaste verwant Knoopkruid (Centaurea jacea) is dat wel. Deze stond ook op de dijkhelling, maar nog niet in bloei.
Moerasbos
Tello vertelde ons over de Kaukasische Berenklauw, een exoot die een gebied snel ondoordringbaar maakt. De gemeente Amsterdam probeert dit tegen te gaan door er regelmatig te maaien. Dat zal deze snelle groeier wel vermoeien. Dankzij dit open gebied kunnen we door het moerasbos lopen, tussen de Buiksloterdijk en de bramenstruiken, waar je normaal niet goed kunt komen. En ondertussen horen we het mannetje van de Bosrietzanger prachtig fluiten.
En dan vinden we onder een pallet een bekerzwam. Michiel, onze paddestoelenkenner, veert helemaal op. Het vruchtlichaam van deze paddenstoel blijkt zo’n 7cm groot. Het lijkt het meest op de Vroege Bekerzwam. Op de bruine binnenkant worden de sporen gevormd, maar deze zijn zo klein dat je ze niet met het blote oog kan zien. Daarom heeft Michiel deze sporen even onder de microscoop gelegd, ook om vast te stellen of het echt om deze soort gaat. Dan blijkt het toch om een andere soort te gaan, namelijk de Grote Houtbekerzwam (Peziza varia); de sporenmaat geeft de doorslag. Deze paddenstoel behoort tot de zakjeszwammen (Ascomyceten). De sporen worden met acht stuks tegelijk gevormd in de sporenzakjes (asci). Aan de bovenkant schieten de sporen hier dan uit. De opening waardoor de sporen wegschieten kleurt mooi blauw met Melzer reagens, dat paddenstoelkundigen gebruiken bij het determineren. Zie de foto van een sporenzakje met daarin 8 sporen en de opening linksboven.
Meerdere Roodstippen, een soort miljoenpoot, een Platrug (soort duizendpoot) zaten ook onder de pallet en acht soorten landslakjes.
We lopen verder en passeren nog een Distelboktor en een Herfstvlieg, maar insecten zie je door het droge voorjaar weinig. Tello vindt onder een droge stronk een Grauwe Wegslak.
In het broekbos staan enkele Kale Jonkers. Deze soort houdt van natte, niet of weinig bemeste graslanden en vind je op vochtige plekken in loofbossen.
Er vliegt een Brandnetelmot voorbij en een Blauwe Goudtip, een langpootmug van vochtige en beboste gebieden en moerassen. Deze zit op een brandnetelblad met gal, veroorzaakt door de Brandnetelbladgalmug.
Iets verderop trekt Henk een verzonken houten plaat omhoog. Het is nog vochtig daaronder, regenwormen en iets zwarts [CN11] kronkelt daar: een Onechte Paardenbloedzuiger. Zij eten regenwormen, slakken en insectenmaden. Echte predatoren. Dat zijn trouwens ook de Kortnekloopkevers, waar er meerdere van rondliepen [CN12] en snel het donker weer opzochten.
Wij waren aan het eind van onze tocht, bedankten Tello voor zijn mooie excursie en zochten de zon weer op.
Henk van Alst (Foto's: Michiel de Goeje, Tello Neckheim en Henk van Alst)
28 april 2025
Vandaag heb ik bij een strak zonnetje het weitje bij de hoek Buiksloterweg/Metaalbewerkersweg, naast het electriciteits-tussenstation, geïnventariseerd op planten en insecten.
Het is op dit moment erg droog. De bodem is hard, maar gelukkig staan er veel planten nog groen bij, zoals: Boerenwormkruid, Akkerdistel, Bijvoet, Jacobskruiskruid, Teunisbloem, Smalle weegbree, Krulzuring, Hopklaver, Rode klaver?, Wilde peen , Wikke en Zachte ooievaarsbek. Hier en daar een bloemetje, maar het is nog vroeg in het jaar en dus erg groen. Als je erdoorheen loopt vliegen er veel langpootmuggen op. Ik zag de Hoefijzertijger en de Lentelangpoot. Ze hebben nu eigenlijk vochtige grond nodig om hun eitjes af te zetten. Hun larven, de emelten, eten wortels van grassen en andere planten.
Ook Zwartpootsoldaatjes zijn veelvuldig aanwezig. Deze weekschildkever is vroeg dit jaar. Hij lust levende en dode insecten, maar ook de larve ervan is dol op bladluizen, wormen en slakjes, soms ook plantaardig materiaal.
Vlinders
Er fladderen verschillende vlindersoorten rond, zoals een Koolwitje, een Gamma-uil (denk ik), een Icarusblauwtje, Bont zandoogje, Brandnetelbladroller en Klaverspanner. Zo’n weitje is er helemaal geschikt voor. De Klaverspanner is een dagactieve nachtvlinder. De rups leeft, net als die van het Icarusblauwtje, op verschillende soorten klaver.
Henk van Alst
06 maart 2025
Binnenkort komt de nachtvlinderkaravaan 2024 met de resultaten van alle nachtvlinders en hun aantallen, die vorig jaar door de deelnemers zijn gevonden in de LED-emmer of nachtvlinderkist. De nachtvlindervallen trekken het hele seizoen door Amsterdam-Noord. Deze karavaan is ontdekkingsreis naar tuinen en andere groengebieden in Amsterdam-Noord. Het is een bewustzijnsproject waar deelnemers bewust worden welke nachtvlinders in hun tuin zitten. Ze zoeken uit wat de relatie van deze nachtvlinders is met hun omgeving. Denk aan de planten of bomen die de rupsen nodig hebben om vlinder te kunnen worden, maar ook andere factoren zoals kunstlicht.
Je kunt wel alvast het verslag van 2023 bekijken.
Tekst: Floor Hallema
Foto's: Henk van Alst
Diversiteitsonderzoek naar dagvlinders en libellen
30 november 2024
In dit onderzoek wordt de diversiteit van dagvlinders en libellen in verschillende deelgebieden binnen Kadoelerscheg onderzocht aan de hand van het concept Basiskwaliteit Natuur.
Download hier het stageverslag van Siebe Ingelse in opdracht van Natuurlijke Zaken, Landschap Noord-Holland.
27 september 2024
Waar niet iedereen bij stil staat is het feit dat aan het begin van de herfst de omstandigheden lijken op die aan het einde van de lente. Het aantal lichturen, de temperatuur en de vochtigheid zijn nagenoeg hetzelfde. Vooral planten reageren op deze factoren. Planten denken niet na, zoals de mens, maar reageren gewoon op de omstandigheden. Het grote verschil tussen de lente en de herfst is dat in de lente de temperatuur en het aantal lichturen omhooggaan en in de herfst naar beneden.
Nu zien we in de Kadoelerscheg op de natuurlijk beheerde plaatsen dat bepaalde planten weer gaan bloeien en dat bepaalde insecten daar weer van profiteren. De trekvogels komen niet maar gaan, maar ze zijn er dus wel. Vorige week hoorde ik een Tjiftjaf zingen. Slangenkruid en Vogelwikke bloeien weer en er zijn veel vlinders te zien, maar ook paddenstoelen. Voor de vlinders en paddenstoelen gelden verschillende regels, dat wel.
Mijn rondje scheg: beginnen in het Kadoelerduin ...
Mijn eerste stop was langs de zuidrand van het Kadoelerduin; opvallend daar is de bloei van Viltganzerik met een klein geel bloemetje. Ik dacht dat het Vijfvingerkruid was, maar Niels Eimers van Waarneming.nl corrigeerde mij. Het zonnetje scheen en het was vrijwel windstil en dan komen de zweefvliegen: Kervelgitje, Gewone pendelvlieg, Puntbijvlieg en Grote kommazweefvlieg werden op de foto genomen. Maar ook een dikke Weidehommel en een soort Smaragdgroefbij werden gezien.
... dan naar het ‘gat’ met de Berenklauw en de bramen
Een stukje naar het noorden ga ik altijd even het ‘gat’ in waar normaal de Reuzenbereklauw groeit, die flink wordt bestreden door de gemeente. Het open veldje, omringd door bramenstruiken, stond vol met Reuzenberenklauw, wel alleen maar zaailingen zonder bloemen, maar toch. Wel kon ik een Gewone berenklauw bloeiend waarnemen en daarop steevast allerlei zweefvliegen en ander gespuis.
Ik hoorde kinderen praten, ze zaten tussen de braamstruiken, ik zag een hut in de bosjes. Toen ik erlangs liep waren er vijf kinderen en drie ouders een feestje aan het houden. Drie jongens hadden hun ouders uitgenodigd om het eenjarig bestaan van hun hut te vieren. Ze hadden slingers opgehangen en ik kreeg een rondleiding. In kamer één stonden een stoel en een tafeltje met daarop hun plannen wat te doen met hun hut, in kamer twee was hun klimboom met een echte uitkijkpost. De hut was niet veel soeps, gaven ze aan, en was in verval. Met trots vertelden de jongens over hun gebied en ze kenden de Reuzenbereklauw en wisten dat die plant niet uit te roeien was, want hij had zoveel zaadjes. Ik was het volledig met hun eens. Ik kon de ouders vertellen over onze adviesgroep en onze website. Ze reageerden enthousiast. Ik mocht foto’s maken van de kinderen voor op onze website. Eén jongen wilde niet op de foto, vertelde hij serieus.
... dan naar de noordrand van het duin
Vervolgens liep ik naar de noordzijde van het duin om langs de zoom te kijken naar planten. De gemeente had daar rigoureus gemaaid en dat was nog steeds te zien. Jammer. Er was daar vóór het maaien een bijzondere plantengemeenschap ontstaan. Wel kon ik op de nabloei van Duinkruiskruid de Tandzaadboorvlieg vinden. Ik had de soort al een keer gefotografeerd in Noordoogst maar dan telt de soort niet voor onze scheg; goed zoeken leverde toch de boorvlieg op en nu dus ook hier op Duinkruiskruid.
... vervolgens het talud van de IJdoornlaan
Toen nog meer naar het noorden gefietst en natuurlijk even stil gestaan bij het talud van de IJdoornlaan. Nu kon wel het Vijfvingerkruid worden gezien en leuk was een bloeiende Bieslook. Natuurlijk een spriet geplukt om op te kauwen: ja, het was Bieslook.
... langs de sportvelden
Het rondje ging verder langs de sloten en onder de bomen van het terrein waar al die sportverenigingen zitten. Gek eigenlijk dat op de voormalige plas-dras eilandjes, waarschijnlijk eerst flink opgehoogd met puin en zand, een manege, een roeiclub en sportvelden zijn gevestigd. Alsof het gebied zelf geen nut had. In deze tijd zijn we juist trots op die historische rafelrandjes van het veenweidegebied.
... en het orchideeenveld
Weer een stuk verder gefietst richting het orchideeënveldje. Even kijken hoe het ervoor staat na het maaien. Het maaien is twee weken te vroeg gedaan - weten de maaiers veel. Gelukkig bleef het maaisel wel een tijdje liggen, zodat zaden en sporen zich konden verspreiden. Aan de stoppels van de Moeraswespenorchissen te zien, zijn ze in hun kracht gemaaid en was het mes niet scherp. Gelukkig kon ik nog wat levende Bolle duinslakken vinden maar van de Kleine kartuizerslak geen spoor. Die zal er heus nog wel zitten maar het merendeel van de zeldzame huisjesslakken zullen zijn meegenomen met het afvoeren van het maaisel. Dat afvoeren is nodig om de orchideeën volgend jaar weer te zien bloeien. Op het talud bij het viaduct kon wel een leeg huisje van de Kleine kartuizerslak worden gefotografeerd.
... eindigen op Landsmeerderdijk
Als laatste stuk langs de Landsmeerderdijk even gekeken of de Gevlekte grasslak er nog zit, lege huisjes waren wel te vinden langs de grote legostenen voor het hek naast de loods.
... en langs het Zijkanaal I naar huis
Toen richting huis gefietst langs het Zijkanaal I om thuis de foto’s te downloaden en te kijken of er leuke plaatjes tussen zitten. Ik vind het aanbevelingswaardig om dit soort rondjes te doen, op safari in je eigen omgeving, wat een geluk. En als je goed kijkt zie je van alles, in dit verslagje heb ik maar een deel genoemd van wat er allemaal te zien was.
Tello Neckheim
16 september 2024
Dit jaar is er weer een nachtvlinderkaravaaan in Amsterdam-Noord georganiseerd.
Het idee is dat een diervriendelijke nachtvlinderval van deelnemer naar deelnemer reist. ’s Nachts wordt de val gezet en ’s morgens kun je met de app ObsIdentify makkelijk uitzoeken welke nachtvlinders je hebt gevonden. Daarnaast is het leuk om uit te zoeken van welke waardplant de rups van de vlinder leeft. Deze karavaan maakt mensen bewust van het belang van een gezonde, groene omgeving, met veel inheemse planten die als voedsel voor de rupsen dienen. En vooral ook hoe belangrijk het is dat het ‘s nachts donker is. Volkstuinpark de Bongerd deed vorig jaar al mee en dit jaar doen ook een aantal buurgenoten uit de Kadoelerscheg mee, waaronder ikzelf.
De LED-emmer, het laken en de kist
Voor mij ging er een wereld open. Er vliegen ’s nachts naast bruine motten blijkbaar ook mooie en bijzondere nachtvlinders in de tuin. Een vreemd idee dat het daar ’s nachts zo druk kan zijn. Ik begon met een zelf aangeschafte LED-emmer van de Vlinderstichting. Die werd op een donkere plek gezet, maar toch leverde de vangst niet veel op. Het was nog vroeg in het jaar en dan is het ’s nachts nog fris. De lamp is ook niet zo fel. De LED-emmer is wel een insectenvriendelijke val waarin je vrijwel geen dode insecten (kleine mugjes en hele kleine nachtvlindertjes, zogenaamde micro’s) zult vinden.
Op 30 juni werd de Nachtvlindernacht bij het Gemaal gehouden. Van Edo Goverse leerde ik het gebruik van de nachtvlinderkist en ook van kleine plastic bakjes om onrustige vlinders even te laten kalmeren. Daar zag ik ook hoe goed de kist werkte. Verder werd er vooral ‘op laken’ gewerkt. Dan wordt op een groot wit laken een felle lamp gericht, waar de nachtvlinders dan weer op af komen. Je kunt ze makkelijk op het doek fotograferen.
Veel robuuster en een fellere lamp dan de LED-emmer, heeft de kist. Daar vind je ’s morgens volop nachtvlinders en als bijvangst muggen, vliegen, wespen en wantsen. Maar op de bodem en in de fitting liggen ook tientallen kleine dode beestjes. Eind augustus en in september zaten er ineens ook veel wespen in de val en daarvan waren er enkele dood. Dode grotere vlinders zie je bij beide vallen vrijwel niet.
De vangst
Het meeste succes leverde de val als hij net vóór, tijdens of na nieuwe maan werd gezet. Daarom ging de buitenverlichting van het huis uit, want hoe donkerder hoe beter! En ik hield verschillende omstandigheden in de gaten. Waait het niet harder dan windkracht 3? Is de nachttemperatuur wel boven de 10 graden? Blijft het droog? De beste plek bleek op de warmtepomp op het balkon te zijn aan de achterkant van het huis, waar er geen lichtvervuiling is van straatlantaarns en zo. Zodra het ’s morgens licht werd, controleerde ik de val en begon met het fotograferen van de nachtvlinders die buiten de val, vaak op de gevel van het huis, zaten. De gevel staat op het westen en houdt de warmte van de ondergaande zon goed vast. Soms vond ik daar ’s morgens wel 10-15 uilen, spanners en andere nachtvlinders. Dan gaat de lamp uit en wordt de val gesloten. Voorzichtig breng ik hem naar de kas, want geregeld ontsnappen ze. En eenmaal buiten zijn ze weg. Bladrollers, motten en spanners fladderen ergens naartoe en zijn dan bijna altijd spoorloos verdwenen. En uilen laten zich vaak pardoes vallen en kruipen direct weg tussen de bodemplanten. Soms vind je die nog. Pijlstaarten kun je langzaam op een stokje laten kruipen en die blijven daar de hele dag stil zitten tot het weer donker genoeg is. Die kun je dus de hele dag blijven bewonderen. Ik open dus voor de zekerheid de val in de kas. Daar staan ook een paar kleine plastic bakjes klaar, waar ontsnapte vlinders korte tijd vastgehouden kunnen worden.
Fotografie
Sinds kort gebruik ik voor de fotografie een opzetlensje, dat ik makkelijk op de iPhone klem. Dit lensje heeft een vaste brandpuntsafstand, waardoor je je smartphone op de juiste afstand van de nachtvlinder moet gebruiken. Hoewel je daarmee tot in de kist flexibel kunt bewegen en fotograferen, vind ik het makkelijker en mooier om uilen ergens op te zetten. Op de foto krijg je dan een scherp beeld van de nachtvlinder op een wat wazige achtergrond. Een uil blijft stil zitten als je voorzichtig handelt. Op de bodem van de val liggen eierbakjes, waaronder de nachtvlinders de donkerte opzoeken. Ik haal voorzichtig zo’n eierkarton uit de val en zet die ondersteboven op tafel. Daar zitten als het goed is meerdere uilen in. Dan probeer ik zo’n beestje rustig op een stokje te laten kruipen. Vaak accepteert hij dat. Dan steek ik het stokje voorzichtig in de grond en kan dan op mijn gemak een mooie opname maken. Als dat gelukt is, ga ik ermee naar buiten en zoek een mooie struik met achtergrondbladeren op waar ik de uil op afschud. (Als hij nu wegvliegt heb ik al een goede foto.) Meestal blijft de uil dan een tijdje als verdoofd op zo’n blad zitten en kan ik weer rustig verder fotograferen. Soms valt de uil op de grond en probeer ik hem daar op de kiek te zetten. Want elke natuurlijke achtergrond vind ik mooier dan een eierdooskarton of plastic (LED-emmer) of spaanplaat (kist).
Bij alle andere nachtvlinders, behalve pijlstaarten, lukt dat niet, die vliegen meteen weg. In de kas gaan de spanners meestal tegen het vieze glas zitten. Precies wat ik wil, want dat is wel meteen een natuurlijker achtergrond. Op de foto komt de spanner daar mooi mee naar voren.
Elke gefotografeerde vlinder wordt daarna weer vrijgelaten. Ik let erop dat er geen meesjes in de buurt zitten of dat de mot in een web van een Kruisspin vliegt, want die springt meteen op de verwarde mot in zijn web.
Zoveel soorten
Tussen 23 april en 9 september heb ik in totaal 13x een val gezet; eerst de LED-emmer zes keer en daarna heb ik alleen de kist nog gebruikt. Hieronder de resultaten: datum – soort val – aantal soorten nachtvlinders - minimum nachttemperatuur.
23 april: LED-emmer, geen soorten, -0,2 graden
30 april: LED-emmer, 1 soort, 11,5 graden
20 mei: LED-emmer, 3 soorten, 12,3 graden
3 juni: LED-emmer, 7 soorten, 9,3 graden
9 juni: LED-emmer, 2 soorten, 8,7 graden
28 juni: LED-emmer, 15 soorten, 10,7 graden
30 juni: nachtvlindernacht bij het Gemaal, ruim 60 soorten, 14,0 graden
05-juli, kist, 35 soorten, 14,2 graden
27 juli: kist, 33 soorten, 12,6 graden
1 aug: kist, 60 soorten, 16,5 graden
6 aug: kist, 63 soorten, 15,7 graden
12 aug: kist, 56 soorten, 16,7 graden
2 sept: kist, 49 soorten, 18 graden
9 sept: kist, 34 soorten, 13,4
Het was in deze periode nieuwe maan op: 8 april, 8 mei, 6 juni,6 juli, 4 augustus en 3 september. De nachttemperaturen zijn van Schiphol en vond ik op weerstatistieken.nl. Ik denk dat de temperaturen op de Kadoelenweg wel hoger uitvallen.
Resultaat per familie
In totaal zijn er 194 soorten nachtvlinders waargenomen (exclusief die van de Nachtvlindernacht). Vooral augustus was een uitschieter. De omstandigheden waren toen goed en er stonden in de tuin - met overwegend inheemse planten - veel bloemen te bloeien.
Bladrollers: 20, dominomotten: 1, echte motten: 3, eenstaartjes: 3, glittermotten: 3, grasmineermotten: 1, grasmotten: 18, kokermoten: 3, koolmotten: 1, lichtmotten:11, mineermotten: 5, oogklepmotten: 1, palpmotten: 2, p edaalmotten: 1, pijlstaarten: 1, platlijfjes: 3, spanners: 30, spinneruilen: 10, spinselmotten: 4, sikkelmotten: 7, tandvlinders: 6, uilen: 52, vedermotten: 3, visstaartjes: 1, vlekmineermotten: 1, wilgenroosjesmotten: 1, zakdragers: 1, onbekend: 1.
Uit bovenstaande tabel blijkt dat bladrollers (20), grasmotten (18), lichtmotten (11)), spanners (30), spinneruilen (10) en met name uilen (52) de soortenrijkste families in de tuin en omgeving zijn.
Herkenning
De rups van een bladroller rolt een blad op en leeft daarin. Grasmotten zitten met dicht ineengevouwen vleugels op grasstengels waardoor ze bijna niet opvallen. De tasters van sommige licht- (of snuitmotten) zijn uitgegroeid tot een lange snuit. Spanners zitten met geheel uitgeklapte vleugels op een vlakke ondergrond. Uilen hebben twee kenmerkende ‘uilvlekken’, de nier- en de ringvlek. Spinneruilen lijken erg op uilen, maar missen die typische ‘uilvlekken’.
De waardplant
De grote diversiteit aan soort nachtvlinders is ontstaan, omdat hun rupsen over het algemeen kieskeurig zijn in de planten, soort mos of bladeren en hout van bomen die ze kunnen verdragen. (De rups van de ons bekende, maar inmiddels vrij zeldzame Bruine huismot eet naast zaden, wol en vogelnestjesmateriaal ook nylon en zelfs plastic.) Een populier, met relatief zacht hout, heeft veel belagers, zoals: de Populierenpijlstaart, Brandvlerkvlinder, Peppel or-vlinder, Snuitvlinder en Bruine wapendrager. Van die laatste kroop er een rups uit een wilg, ook een boom met zacht hout.
Bijvangst
Naast al die soorten nachtvlinder is de bijvangst ook interessant en bestaat vooral uit schietmotten, wantsen-, muggen-, kever- en wespensoorten. Er zaten ook een paar vliegen bij, waaronder het zeer zeldzame Zwart speldenknopje. Dit is een wapenvlieg, waarvan de larve in rottend hout en in de strooisellaag leeft.
Van de muggen vond ik verschillende soorten steek-, dans-, langpoot- en steltmuggen, zoals de Gewone kamsteltmug, een fragiel insect. De larve leeft in bladafval in de buurt van moerassige, vochtige plekken.
De schietmot (geen nachtvlinder) is een bekende. De larve leeft vaak tussen waterplanten.
Van de wantsen is de Gewone sigaar een regelmatige gast. Ze leven van kleine waterdiertjes, algen en dood plantenmateriaal dat in het water zweeft.
Van de kevers was een snuitkever een opvallende verschijning. Het zou de Kleine eikelboorder of de Hazelnootboorder kunnen zijn.
Van de wespen zijn de kleine parasitaire schildwespjes van belang. Zij leggen hun eitjes in rupsen van vlinders of op andere insecten. Het natte voorjaar was slecht nieuws voor de Gewone wesp. Veel nesten zijn uitgevallen of vertraagd. Dit jaar kwam er een piekje eind augustus, begin september. Dat was ook te zien aan de val, want daar zaten ineens 15-16 wespen in.
Wil je meer inspiratie over het fotograferen van (nacht)vlinders, bezoek dan eens de website precious-nature.nl
Henk van Alst
Brakwatermollusken in Zijkanaal I
12 juli 2024
Zijkanaal I is van oorsprong een lintvormige inham van de voormalige Zuiderzee. Dat was de oeroude verbinding van de Zuiderzee met het Twiske. De inham of zeearm was dus van oorsprong gevuld met brak water. In 1876 werd het gegraven Noordzeekanaal geopend en kwam er een verbinding met de Noordzee. De sluizen in IJmuiden laten elke keer als een schip door de sluis komt zout water binnen en dat (zware) zoute water loopt met een soort slurf helemaal tot de Oranjesluizen bij Schellingwoude. Maar toen de Afsluitdijk werd aangelegd en klaar was in 1933 werd het IJsselmeer geboren en werd de Zuiderzee met brak water een IJsselmeer met zoet water. Miljoenen brakwaterdieren gingen toen dood in het IJsselmeer en het IJ werd steeds zoeter, maar er bleef zout water in het IJ stromen. Nu niet via de Zuiderzee aan de oostkant maar via het Noordzeekanaal aan de westkant. Een aantal brakwatersoorten zoals het Zuiderzeekrabbetje overleefde daardoor het verzoeten van het IJsselmeer. Zout en zoet water mengt niet makkelijk, zout water is zwaarder dan zoet water (zout water bevat veel mineralen). Dat zoute water zit dus op de bodem van het Noordzeekanaal en waar het zoute water en het zoete water elkaar raken is brak water aanwezig. Dat noem je stratificatie (lagen van verschillende soorten water). Die brakwaterzone gaat onder water op en neer, waar we op het droge niets van merken, totdat je opeens een klep van de Brakwaterstrandschelp op de oever tegenkomt. Dan weet je dat het Zijkanaal brak water bevat. Het zoute en brakke water stroomt dus nog steeds het IJ en het Zijkanaal in. In het IJ en in het Zijkanaal leven naast zoetwatersoorten ook brakwatersoorten. Een aantal soorten zijn overgebleven ondanks het verzoeten van het IJsselmeer maar konden blijven leven vanwege de “nieuwe” verbinding met het Noordzeekanaal. Maar er leven ook een aantal exoten, zoals bepaalde weekdieren en krabben. Hoogstwaarschijnlijk zijn deze dieren als larve via ballastwater in Amsterdam terechtgekomen. Grote schepen nemen ballastwater in op een plek waar ze hun lading lossen, zoals in Noord-Amerika, maar lozen dat weer als het schip wordt geladen. En dat gebeurt vaak in de haven van Amsterdam.
Brakwaterstrandschelp Rangia cuneata
Deze relatief grote mossel werd in Nederland voor het eerst aangetroffen in 2007 in het IJ. Hij leeft normaal in Noord-Amerika. Deze soort kan zich alleen voortplanten in brak water, maar kan wel in zoet water leven. In het zoete water kunnen ze zelfs een stuk groter worden. Waarschijnlijk doordat ze hier geen energie hoeven te steken in het zich voortplanten. Kleppen van deze mossel, die normaal in zanderige bodem ingegraven leeft, zijn regelmatig te vinden op de oevers van het Zijkanaal. Het zijkanaal zit er vol mee, op elke vierkante meter zitten er een handvol. De dieren worden waarschijnlijk gevangen en vervolgens gegeten door watervogels, meeuwen en de Bruine rat. Vrijwel overal (goed zoeken!) vind je losse kleppen in de Kadoelerscheg.
Brakwatermossel Mytilops leucophaeata
Dit mosseltje is al veel langer in Nederland bekend en komt van oorsprong ook uit Noord-Amerika. Ze is in Nederland bekend sinds 1895. Het dier hecht zich vast op stenen of troep dat in het water is gegooid, zoals een fiets. Als een fiets maar lang genoeg in het kanaal ligt kan het een rif van mossels vormen. Tijdens het snorkelen heb ik (Koen) dit soort beginnende riffen waargenomen. Een waar kunstwerk. Het mosseltje lijkt op de Driehoeksmossel Dreissena polymorpha maar die soort kan een stuk minder goed tegen brak water. Losse klepjes zijn langs delen van het Zijkanaal te vinden. Waarschijnlijk worden deze, evenals de Brakwaterstrandschelp, gepredeerd door vogels. Zo worden er nu en dan Kuifeenden gezien in het Zijkanaal, die bekend staan om het eten van mossels.
Gebogen traliemossel Ischadium recurvum
Dit mooie mosseltje is in 2018 voor het eerst waargenomen in het Noordzeekanaal maar leefde er waarschijnlijk al eerder. Wederom komt deze soort uit Noord-Amerika. Vorig jaar vonden we een vers doublet, vastgeplakt op een steen, die uit het kanaal was gevist. De kans is groot dat het Zijkanaal wemelt van de Gebogen traliemossel. Ook deze soort hecht zich vast met byssusdraden aan vaste ondergrond. Net als de andere mossels leven ze als jonkie als een soort larve in het plankton, dus vrij-zwemmend en meedrijvend met stromingen.
Zuid-Amerikaans brakwaterhorentje Heleobia charruana
Dit kleine “wadslakje” (ongeveer 6 mm hoog) is ook een exoot, maar dan uit Zuid-Amerika. Ze is pas in Nederland in 2014 herkend als deze soort. Diverse wetenschappers uit verschillende landen moesten hun best doen om erachter te komen welke soort het eigenlijk was. Omdat de soort erg veel lijkt op Jenkins waterhorentje Potamopyrgus antipodarum (van oorsprong uit Nieuw-Zeeland) werd de soort niet eerder in Nederland herkend. Het slakje is ook gevonden in Zijkanaal I, je maakt de beste kans ze te vinden door te zoeken op rommel die uit het Zijkanaal is gevist. Het is hoogstwaarschijnlijk een prima voedselbron voor vissen en watervogels.
Maar er zijn ook inheemse brakwatermollusken te vinden in Nederland, de meeste soorten zijn zeldzaam tot zeer zeldzaam maar wel te verwachten in ons Zijkanaal. Er is tot nu toe nog amper onderzoek gedaan naar deze onbekende groep weekdieren. Een leuke soort is de Brakwaterkokkel Cerastoderma glaucum, die veel lijkt op de Kokkel van het strand, maar ook het Opgezwollen brakwaterhorentje Ecrobia ventrosa is te verwachten. Wie zoekt zal vinden.
Tello & Koen
11 juli 2024
Insecten in het Kadoelerduin
Ik loop op de Landsmeerderdijk langs het Zijkanaal I, sla voorbij het gemaal en de Kadoelerbreek linksaf naar beneden en ga de insecten inventariseren van het Kadoelerduin. Dit is een zelfbedachte naam omdat het een beetje op een duingebied lijkt. Niet van een duin aan zee, maar van een oude rivier. Er grazen konijnen en tot medio juni fluiten er Nachtegalen, net als in de duinen. Het staat er nu, begin juli, prachtig in bloei met overwegend Duinkruiskruid. Ik dacht eerst dat het Boerenwormkruid was, maar het blijkt een ondersoort van het Jacobskruiskruid te zijn: een tweejarige plant die veel in het kustgebied voorkomt. Hij staat op de Nederlandse rode lijst van planten. Hij is giftig voor de mens. En ook voor veel insecten die ervan zouden willen eten; de nectar kunnen ze wel drinken. De rups van in ieder geval één vlinder kan er wel van eten en dat is de Sint-jacobsvlinder. En die vond ik dan ook. Een prachtige en opvallende rups, die meteen laat zien dat je er beter van af kunt blijven. Hij slaat het gif uit de plant op en is daarom zelf ook giftig voor vogels. Ook de vlinder die er later uitkomt is giftig. De Sint-jacobsvlinder is een nachtvlinder, maar kan door zijn oneetbaarheid ook overdag rustig rondfladderen.
Inventarisatie van 5 juni
De vorige keer dat ik hier naar insecten zocht, begin juni, stonden de bramen massaal te bloeien. Het kruidenrijke grasland, ideaal om honden uit te laten, wordt richting de Kadoelerbreek eerst begrenst met een brede rij bramen. Die kan zo rijk groeien omdat er voldoende stikstof (hondenpoep?) voorhanden is. Honderden hommels zoemden daar toen rond. Ik had nog nooit zoveel hommels bij elkaar gezien: vooral Aardhommels, maar ook Steen- Akker-, Boom- en Weidehommels. Veel hommels waren ook groot. Dus ze hadden in hun larvestadium blijkbaar goed te eten gehad. Ik heb nog gezocht naar Koekoekshommels maar vond die niet. Wel de Roestbruine kromlijf, een vlieg die parasiteert op hommels. Naast hommels vliegen er ook zweefvliegen en een enkel koolwitje. Maar vooral de hommels zijn heel actief.
Inventarisatie van 8 juli
Vandaag is het een bewolkte dag, 23 graden, windkracht 2-3. Ik hoor nog een merel fluiten en ben benieuwd wat ik aan insecten ga zien. Onderweg ernaartoe zie ik al een mannetje Stadsreus, hij lijkt wel wat op een Hoornaar. Hij snoept van de Reuzenberenklauw. En ik zie heel veel andere zweefvliegen, waaronder veel algemene soorten bijvliegen. Dat zijn zweefvliegen, die lijken op een Honingbij in de hoop met rust gelaten te worden, terwijl de Hommelbijvlieg juist een hommel probeert te imiteren.
Een aantal soorten zweefvliegen bootst een wespachtig uiterlijk na om vogels te foppen, zoals pendelvliegen. Maar ook kleinere soorten doen daaraan mee. Ik vind de Snorzweefvlieg en het Grote langlijf.
Duinkruiskruid
De bramen zijn bijna uitgebloeid, maar het Duinkruiskruid, Slangenkruid, Zuring, Moerasrolklaver en Akkerdistel staan in volle bloei en trekken naast zweefvliegen veel andere insecten aan, zoals bijen, hommels, bladwespen, wantsen en de Gebandeerde Kruiskruidboorvlieg. Je ziet al aan de naam dat het niet veel goeds betekent voor het kruiskruid.
Net zoals je dat trouwens bij een Groefbijendoder kunt verwachten. Het vrouwtje van deze graafwesp maakt haar nest in de grond en bouwt een aantal nestcellen. In elke cel doet ze er een paar groefbijen bij. Dan nog een eitje, zodat haar kroost goed verzorgd is. Andere bijen die er voorkomen zijn de kleine Tronkenbijtjes, de Rosse metselbij (alleen bij de 1e inventarisatie van begin juni gevonden), een Bladsnijder op Moerasrolklaver (alleen heb ik hier geen mooie foto van kunnen maken) en er is een Wormkruidbij gezien.
De Gewone wesp, ook wel de limonadewesp genoemd, heb ik nog niet waargenomen, maar wel de Franse veldwesp, deze is wat rustiger dan de gewone wesp. De wespen leven ook van nectar en voeren hun larven insecten. Dat doet de Strontvlieg ook. Die leeft naast nectar en uitwerpselen ook van kleine vliegen. De larven van sluipvliegen eten rupsen van vlinders, larven van kevers en andere vliegen.
En tussen alle nectarbommetjes die al die insecten aantrekken, zit boven in de plant heel stilletjes een Gewone krabspin, een vrije jager. Die grijpt met zijn voorpoten een zweefvlieg. (Lees meer over deze spinnen op de website van Wilmkebreek.nl.) Lieveheersbeestjes zoeken naar bladluizen. Net als het Kleine rode weekschild als die zijn nectarmaaltje eens wil afwisselen. Rond deze tijd zie je ze vaak ‘in copula’.
Een typische soort voor droog en kruidenrijk grasland met composieten als Duinkruiskruid, Boerenwormkruid en Duizendblad is de Grijze glasvleugelwants. Ze leven oorspronkelijk in Zuid-Europa en komen steeds noordelijker voor. (Ook de Distelvlinder is zo’n zuidelijke soort.) De wants zuigt de zaden uit.
Een spanner die ik niet kende is de Klaverspanner. De rups leeft van klaver. De rups van de Bleke grasmot leeft van gras en die van de Aangebrande valkmot van kruisbloemigen, zoals Koolzaad. Deze plant stond ook her en der boven alle andere planten uit te pronken.
Ik ben twee soorten sprinkhanen tegengekomen: de Bruine sprinkhaan, een vegetariër en het Spitskopje, een flexitariër.
Kadoelerduin
Het Kadoelerduin is een gevarieerd gebied met voedselrijke en -arme gebieden, waardoor er veel verschillende soorten planten staan. Waarschijnlijk is er ooit kalkrijke grond aangebracht (uit zee?), want dat zou de uitbundige hoeveelheid aan Duinkruiskruid verklaren. Er is nog niet gemaaid zoals elders in de stad, dus voorlopig is het nog een eldorado voor insecten. Ga er ook eens kijken, zet je waarnemingen op waarneming.nl en geniet van een bijzonder stukje natuur in de Kadoelerscheg!
Henk van Alst
30 juni 2024
Met mijn LED-emmer, een volle tas en paraplu ging ik naar het gemaal. Daar gingen we nachtvlinderen. Ik had afgesproken dat ik rond 12 uur thuis zou zijn, want een uurtje naar een wit doek staren en motten zoeken, leek me wel genoeg. Koen stond al te wachten. Edo en Floor kwamen al snel aangereden en tenslotte arriveerden ook Tello en Harry. De vallen werden opgezet. Dat zijn eigenlijk lakens met een felle lamp erop. Een kleiner laken werd iets uit het zicht in een verborgen hoek gezet. En twee kisten werden opgesteld. Dat zijn houten vallen met een plexiglas trechter vol met eierdoosjes, waar de nachtvlinders zich onder kunnen verschuilen. Tja, en waar kon ik dan met mijn LED-emmer heen? Bij al het geweld van felle lampen zou dit zwakke UV-licht niet opvallen. Dus heb ik het maar ergens tussen de struiken gezet, ervan uit gaande dat het wel niet veel zou opleveren.
Schemering
De lamp brandde al even en in no time zat het laken vol met dans- en steekmuggen, vliegjes en kleine kevertjes. Terwijl ik verbaasd naar dit snelle resultaat stond te kijken, werd bij het kleine laken geroepen dat er een Hopwortelboorder was waargenomen. Ik er naartoe en daar zat een prachtige en grote oranjeachtige vlinder. Een vrouwtje bleek later, want niet veel later was er op het andere laken een man gevonden. Deze is iets kleiner en witter. Deze nachtvlinders worden al in de schemering actief. De rups leeft van de wortels van de hop. Wat een specialisatie. Je weet het eigenlijk al als je de naam van het beestje kent. En de rest van de avond zou vaker blijken dat spanners, rollers of uilen monofaag kunnen zijn, dus gespecialiseerd op één waardplant. Zo vonden we later ook de Witkraagrietboorder. Dit is een vrij zeldzame uil waarvan de rups in stengels van oud riet leeft. Dus als je deze vlinder op je laken krijgt, dan betekent het dat er overjarig riet in de buurt moet zijn. Op zich is dat een goed teken, want dat is gunstig voor de biodiversiteit.
De vader en zus van Koen komen even kijken.Ook Marjolein komt langs, een buurtbewoonster uit de Banne die op dit moment actief is in de Nachtvlinderkaravaan en mooie foto’s maakt. Ze heeft hele kleine rupsen in haar tuin gevonden en kweekt ze nu op. Het blijken Groente-uilen te zijn.
Nacht
Natuurlijk kwamen we ook gewone motjes tegen. De meeste zijn vrij klein en niet zo spectaculair, zoals het Kroosvlindertje. Een zogenaamde micro(vlinder), een grasmot. Zodra er ergens Eendenkroos groeit, dan zie je dit motje zelfs overdag boven het kroostapijt dwarrelen. De rupsen leven van het kroos, maar ook van enkele andere waterplanten.
Omdat we bij het gemaal staan, een omgeving met water, riet en wilgen, is het voorspelbaar dat er nachtvlinders zullen zijn die zich er thuis voelen, zoals de Wilgenschors- en Wilgentandvlinder. De rupsen leven op de katjes en bladeren van de wilg. De Wilgentandvlinder is vrij zeldzaam en leeft naast Wilg ook van Berk en Populier. Op de website van de Vlinderstichting kun je helemaal onderaan de pagina van een soort precies zien wat de waardplant van de vlinder is.
Een andere spectulair beest was Groot avondrood. Soms vond ik de rups op Wilgenroosje in de tuin, maar nu zag ik eindelijk eens de vlinder.
De hele avond door verbaasden ik én de anderen ons over zoveel moois. We renden van het ene laken naar de andere kist. Ineens is het half drie! Ik ben moe. We gaan opruimen. Ik haal mijn LED-emmertje op en kijk samen met Edo naar de vangst. Edo reageert opgewonden. Hij ziet een Stippelsnuituil, een spinneruil. Ook deze komt niet zoveel voor. De rups leeft van Zegge en Veldbies. En Oeverzegge groeit hier wel, want Michiel heeft die enkele weken terug nog gezien tijdens zijn inventarisatie bij het Kadoelenpad. De reactie van Edo: "Na elke vijf meter vang je weer andere nachtvlinders".
We ruimen met zijn allen op. En het is nog steeds lekker weer. Weinig wind en zo'n 19-20 graden. Met zulk gunstig weer had je eigenlijk nog veel meer nachtvlinders kunnen vinden volgens de experts, maar ik was helemaal verblind door zoveel moois!
Henk van Alst
Vogels in de Wilmkebreekpolder
26 juni 2024
De Wilmkebreekpolder
De Wilmkebreekpolder bestaat sinds 1636, het jaar waarin de 20 ha grote polder na drie jaren van droogmalen in gebruik kon worden genomen. De polder is nu dus bijna 400 jaar oud! Veel is er sinds de drooglegging niet veranderd. Het inrichtingspatroon van sloten en kavels is grotendeels hetzelfde gebleven en nog altijd wordt het agrarisch bedrijf uitgeoefend. Daarbij wordt al vele jaren agrarisch natuurbeheer toegepast. Dankzij dat beheer, de extensieve beweiding, en de vruchtbare, soms erg natte kleibodem is in de polder een gevarieerde, kruidenrijke grassenvegetatie ontstaan. Vooral de kleurrijke hooilandpercelen zijn in het voorjaar erg mooi om te zien. Ook is de polder een aantrekkelijk broed- en foerageergebied voor tal van soorten (weide)vogels. Dat is vooral te danken aan de rustige ligging van de polder en het gevarieerde aanbod aan voedsel (voor zowel oudervogels als kuikens). De laaggelegen polder ligt een beetje verstopt achter de huizen in de wijk Kadoelen, maar vanaf de hoge Landsmeerderdijk heb je een vrij uitzicht over het gehele gebied. Begrijpelijkerwijs is de polder niet vrij toegankelijk. Allereerst om verstoring van de vogels te voorkomen, maar ook omdat de grond in private handen is.
Vogelsoorten
De vogelstand in de polder wordt al vele jaren nauwgezet bijgehouden door actieve leden van de Vereniging tot Behoud van de Wilmkebreekpolder. Er is daarom veel kennis over de vogels in de polder opgebouwd. Op de website van de vereniging www.wilmkebreek.nl kunnen jaarrapporten over de flora en fauna in de polder worden ingezien en gedownload.
Sinds de eerste waarnemingsdatum 1 februari 1941 zijn zo’n 120 verschillende vogelsoorten gezien in de Wilmkebreekpolder en de naaste omgeving (de tuinen rondom de polder en de Landsmeerderdijk met Zijkanaal I). In de polder zelf gaat het om zo’n 50 soorten.
Wat kan je zoal verwachten wanneer je vanaf de hoge Landsmeerderdijk een blik werpt in de polder? Dat hangt wel af van het moment in het jaar. Het gehele jaar door kan je in ieder geval heel ‘gewone’ soorten als Blauwe Reiger, Kokmeeuw, Kauw, Spreeuw (grote aantallen in herfst en voorjaar), Houtduif, Wilde Eend, Meerkoet en Grauwe Gans (vaak in groot aantal) zien. In het najaar, de winter, en het voorjaar overwintert een grote groep Krakeend (tot zo’n 300 individuen), terwijl Smient, Wintertaling en Watersnip in deze periode in kleinere aantallen voorkomen (25 à 100 individuen). Zolang de vorst uitblijft is er ook dikwijls een groep Kievit (25 à 100 individuen) te zien. In voor- en najaar kan je doortrekkers zoals Kramsvogel, Koperwiek, Tapuit, Bontbekplevier, Kleine Plevier, Grote Gele Kwikstaart, Gele Kwikstaart, Graspieper en Witgat verwachten. De Putter, een zaadeter, maakt vooral in de zomer vanuit de tuinen uitstapjes naar de polder. De zaden van de daar groeiende Akkerdistel zijn een geliefde voedselbron voor hem. In de winter zit hij in de tuinen op de zaden van de Kaardenbol. In het voorjaar komen veel trekvogels terug naar de polder en breekt er zowel voor trekvogels als jaarvogels een intensieve periode van voortplanting aan.
Weidevogels Grutto, Kievit, Tureluur en Scholekster
Het broedsucces van weidevogels Grutto, Kievit, Tureluur, en Scholekster wordt sinds 2011 nauwkeurig bijgehouden. Uit de inventarisaties blijkt dat de Grutto het erg moeilijk heeft, maar gelukkig zit de Kievit – afwijkend van de landelijke trend – al enkele jaren in de lift. De Tureluur blijft redelijk stabiel, de Scholekster neemt iets toe.
Er zijn overigens goede en slechte kuikenjaren. Het gaat als regel goed met de kuikens wanneer er voldoende regen valt en het niet te koud is. Op de planten en de bodem zitten dan genoeg insecten en ander klein grut, het hoofdvoedsel voor de kuikens. Bij langdurige droogte echter, wordt de kleibodem hard en moeten vogels die met hun lange snavel op de tast in de bodem naar wurmen en larven zoeken (Grutto, Scholekster, Tureluur) uitwijken naar de langer vochtig blijvende drainage-greppels en slootkanten. Een zichtjager zoals de Kievit (geen lange snavel) heeft minder last van een harde bodem, maar ook deze soort zie je bij langdurige droogte vaak met hun jongen in de slootkanten staan. De kuikens hebben het wel moeilijk bij langdurige droogte.
Daarnaast worden veel kuikens opgegeten voordat ze in staat zijn om zich tegen aanvallers te verdedigen of weg te vliegen. Vooral de kleine kuikens zijn kwetsbaar omdat ze een geliefd hapje vormen voor het kraaienvolk en andere rovers. Kuikenverliezen horen echter bij het leven van de weidevogels; zolang zo’n 65% van de broedparen gemiddeld één jong per seizoen weet groot te brengen blijft de populatie in stand.
Andere broedvogels
Er broeden veel meer soorten in de polder. Niet te missen is de Grauwe Gans, een soort die ieder jaar een groot aantal jongen (rond de 300) weet groot te brengen. De Nijlgans en de Bergeend zijn met enkele broedparen veel minder dominant aanwezig. Typische vogels van water, oevers en vochtig land zoals Wilde Eend, Krakeend, Meerkoet en Waterhoen, komen ook elk jaar in de polder tot broeden. De Boerenzwaluw zoekt een dak boven zijn hoofd om een nest te maken; in het verleden was dat een paardenstal aan de rand van de polder. Mogelijk keert hij daar weer terug. De Witte Kwikstaart broedt als regel onder de dakpannen van de huizen rond de polder. In het voorjaar worden jonge kwikstaarten gezien die met hun ouders als voorbeeld proberen opvliegende insecten te vangen. De Lepelaar broedt elders maar komt in het voorjaar naar de polder om te foerageren; in de zomer zie je hem vaak weer terug in het gezelschap van één of meer bedelende jongen. De zeldzame Slobeend wordt gedurende een groot deel van het jaar gezien, maar tot een broedpoging lijkt het in de polder nog niet te zijn gekomen. Sinds 2021 is de Ooievaar terug als grote, de aandacht trekkende vogel. De Ooievaar broedt in de top van een boom aan de Kadoelenweg. In de polder zoekt hij met statige passen de bodem af naar voedsel; je ziet hem zelden aan de slootkant staan.
Roofvogels
Jaarrond worden verschillende roofvogels waargenomen. De Buizerd wordt het meest gezien, soms etend van een pas geslagen eend of jonge gans, maar ook Havik en Slechtvalk zijn actief boven de polder. De Sperwer wordt regelmatig jagend boven de tuinen rond de polder waargenomen; deze snelle en wendbare roofvogel richt zich vooral op de kleinere zangvogels, maar ook grotere vogels als Turkse Tortel zijn niet veilig. Een enkele keer komt de Bruine Kiekendief vanuit het nabije Waterland kijken of er jonge vogels te verschalken zijn. Ook zijn neef de Blauwe Kiekendief doet heel soms de polder aan. Net buiten de polder, aan de rand van volkstuincomplex De Bongerd, komt al enkele jaren een Ransuil met vliegvlugge jongen op bezoek.
Bijzondere waarnemingen
De meeste vogelsoorten worden elk jaar gezien, maar soms slaat het hart van de vogelaar wat sneller wanneer onverwacht een bijzondere soort voorbijkomt. Voorbeelden zijn de ‘blauwe flits’ de toepasselijke bijnaam voor de IJsvogel die in het Kadoelerscheg-gebied een broedplaats heeft, de Zeearend die ooit majestueus overvloog, en de Purperreiger die pardoes midden in de polder landde. In strenge winters blijken het vaakst ‘vreemde vogels’ te worden waargenomen: gedreven door honger en kou komen soorten als Waterral, Houtsnip en Bokje dan dichter bij de stedelijke bebouwing. Ook tijdens de trek landen vogels soms op goed geluk in de polder om bij te komen van de inspanningen. In het voorjaar zijn bijvoorbeeld een Kluut, een Oeverloper, en een Kemphaan waargenomen. Sommige soorten vliegen met andere soorten mee en komen op die manier in de polder; voorbeelden zijn Krooneend, Kolgans, Grote en Kleine Canadese Gans en Brandgans. Oeverzwaluwen worden zomers samen met Boerenzwaluwen gezien op jacht naar de vele insecten boven de polder. Ook in de tuinen rond de polder worden soms bijzondere en toevallige waarnemingen gedaan zoals een Groene Specht, een Zwarte Roodstaart, een Gekraagde Roodstaart, een groepje Ringmussen, een Vuurgoudhaan en een Paapje.
Het blijft verrassend en opmerkelijk dat zoveel vogels en zoveel soorten zich op hun gemak voelen in de Wilmkebreekpolder, een polder midden in Amsterdam-Noord. Het is daarmee beslist een uniek gebied, een gebied om te koesteren en te bewaren voor al diegenen die de natuur en de beleving van de natuur een warm hart toedragen.
Tom Jongeling
24 juni 2024
Waterbeestjes in de sloten van de Wilmkebreekpolder
Welke beestje leven er in de sloten van de Wilmkebreekpolder? Op 12 juni gingen 14 kinderen (en hun begeleiders) uit de buurt op onderzoek uit in de sloot naast de boerderij aan de Kadoelenweg. Onder leiding van de Commissie Natuur en de experts Koen en Rens van 17 jaar, ook uit de buurt, toverden de kinderen met visnetten een rijkdom aan soorten tevoorschijn. Met prachtige namen als Tiendoornig stekelbaarsje, Grote spinnende watertor (wel 5cm groot!), Posthoornslak, Tuimelaar, salamander, en, een mooi woord voor galgje: Zoetwaterpissebed. De diertjes werden even in een ‘cuvette’ gezet, een soort aquarium, zodat de kinderen ze goed konden bekijken. Met een Secchischijf - die je trouwens best makkelijk zelf kunt maken, google maar eens - leerden de oudere kinderen hoe je de diepte en de helderheid van de sloot, en de dikte van de sliblaag kunt meten.
Alle gevonden diertjes kun je terugvinden op de website WWW.waterdiertjes.nl. En als je zelf nog waterdiertjes vindt, kun je ze ook invoeren op deze website. Daarmee kunnen de mensen van de waterschappen, Rijkswaterstaat, IVN en nog veel meer, dan bijhouden waar het goed gaat met de waterdiertjes en waar niet. In de Wilmkebreekpolder gaat het in elk geval goed met ze, hebben we gezien!
Tekst Miep Lenoir, foto Tom Jongeling
Op 24 juni heeft de Commissie Natuur de jaarlijkse inventarisatie van waterbeestjes in de sloten van de Wilmkebreekpolder uitgevoerd. Voor het hooien, na de broedperiode en met toestemming van de boer zijn sloten in de hooilanden onderzocht. Op de percelen grenzend aan de tuinen van Kadoelenweg en Wilmkebreekpad lopen nog jonge kieviten en tureluurs, dus dat was verboden gebied. Van zuid naar noord gaande komen de waterbeestjes in steeds grotere getale voor. Dat is niet zo gek want vers water komt aan de noordkant de polder in, naast het regenwater dat overal schoon water brengt in de polder. Voor de details van wat we hebben aangetroffen, zie de Wilmkebreekwebsite. We hebben een voor ons nieuwe soort gevonden, een larve van de Spercheus emarginatus, zie de foto hiernaast. Het is een algemeen voorkomend waterkevertje dat vooral in de modder leeft.
Ook deze vondsten zijn ingevoerd op de website van Waterdiertjes.nl. Alle sloten in de Wilmkebreekpolder krijgen een goed cijfer van Waterdiertjes.nl - variërend van 7,3 tot 7,9 - terwijl de gemiddelde sloot in Nederland een 4,4 scoort!
Geen wonder dat de weidevogels, watervogels en andere vogels de polder zo goed weten te vinden: voedsel te over!
Tekst Nynke de Vries, foto Tom Jongeling
11 juni 2024
Veel planten en dieren maar ook de niet levende natuur als bodem, klimaat en water zijn met elkaar verbonden. In de meeste gevallen is dat een afhankelijke relatie. Zo zijn waterplanten afhankelijk van water; water afhankelijk van neerslag en dus van het klimaat. Telkens is het kringetje weer rond. Ook in de Kadoelerscheg zijn er talloze relaties aan te wijzen tussen planten en dieren en hun omgeving. Valt er een schakel weg dan wordt de kring doorbroken. De meest duidelijke relatie is die van gast en gastvrouw/-heer: parasiet of symbiose.
Parasiet
Een parasiet zoals het prachtige Goudwespje maakt gebruik van het broedsel van de Metselbijtjes in het insectenhotel. Neem even de tijd bij het insectenhotel, het groen/blauwe metaalkleurige wespje hangt er vast nerveus in het rond wachtend op het juiste moment om een eitje te leggen bij het broedsel van de Metselbij. De rest laat zich wel raden: een parasitaire relatie! Gelukkig worden niet alle celletjes besmet! Er blijven genoeg Metselbijtjes en Goudwespjes over. Sommige soorten wespen zijn goed herkenbaar als je ziet welke prooien ze voor hun nageslacht zoeken, zoals de Cicadendoder.
Veel bloemplanten zijn voor bestuiving aangewezen op hommels, vlinders en bijen. In ruil krijgen de vliegers nectar en extra eiwitrijk stuifmeel. Wij (mis)gebruiken de gedomesticeerde/gefokte honingbij om ons fruit te bestuiven, profiteren vervolgens van de honing van de bijen en het aangeleverde fruit in ruil voor wat suikerwater. Zijn wij parasitair??
Samenleven
Natuurlijk zijn er ook relaties met wederzijdse afhankelijkheid. Men profiteert van elkaar zoals de paddestoelen die met hun zwamdraden rondom boomwortels leven. De zwamdraad maakt de opname van mineralen voor de boom gemakkelijk en profiteert zelf van de suiker die de boom levert. Een merkwaardige samenleving met de meest fantastische vormen is de wereld van de korstmossen. Je loopt er al snel aan voorbij maar op iedere boom, stoeptegel of grafsteen zijn deze natuurlijke graffity’s te vinden. Het zijn een schimmel en een alg die samenleven. Ook hier een uitwisseling van mineralen en suikers.
Specialisatie
Er zijn planten die volledig gespecialiseerd zijn op één insect. Hun bloemen zijn zo gevormd dat alleen insecten met bijvoorbeeld een lange tong bij de nectar kunnen komen. Een aantal insecten hebben in de loop van de evolutie een lange tong ontwikkeld. De tong is te lang geworden voor andere bloemen en dus ontstaat er afhankelijkheid van planten met bloemen waarvoor een lange tong nodig is. De bloemen zijn op hun beurt afhankelijk van de bestuivers met lange tong. Hommels zijn slimme dieren en kunnen met hun korte tong niet bij de nectar van de Smeerwortel. Maar geen nood, via een gaatje onderin de bloemkelk snoep je alsnog de nectar naar binnen.
Timing
Kleine vogels zoals Koolmees en Pimpelmees zijn voor het grootbrengen van de jongen afhankelijk van het aanbod aan insecten en met name de eiwitrijke larven. De eitjes worden precies op tijd gelegd en uitgebroed op het moment dat er veel voedsel is van de juiste maat voor de bekkies! De insectenlarven profiteren van de uitlopende eiwitrijke jonge blaadjes aan bomen en planten. Door klimaatverandering (hogere temperaturen, vochtigheid/droogte) kan het uitlopen van bomen en planten te vroeg of te laat komen waardoor de juiste maat insectenlarven niet meer beschikbaar is. Een koud en nat voorjaar heeft dan een negatieve invloed op de voorplanting. Ook bij sommige vlindersoorten kan dat het geval zijn. Gebeurt zo’n verandering vaak dan is de kans groot dat betreffende dieren verhuizen naar een geschikte klimaatzone of geheel uitsterven.
Diversiteit
Variatie van planten en dieren draagt bij aan een robuust syteem met veel wederzijdse relaties. Stadsnatuur is door de grote variatie van bodem, vochtigheid en microklimaat rijk aan natuur mits daarvoor de juiste verbindingen worden gelegd en condities worden geschapen, waar de adviesgroep Kadoelerscheg zich nu sterk voor maakt.
Norbert Daemen
08 juni 2024
Planten bij een safari door Kadoelerduin
Als je op safari gaat van zuid naar noord langs het water moet je laarzen aan en een lange broek, want het is nat en er staat veel Brandnetel. Dit duidt op zeer voedselrijke grond met veel stikstof. Op deze tocht vind je verschillende typen vegetatie.
Invasieve exoot
In het zuiden staat hier behalve Brandnetel veel Reuzenberenklauw en Reuzenbalsemien. Reuzenberenklauw is een invasieve exoot die wel 3 meter hoog kan worden en de plant bevat stoffen die op de huid ernstige brandwonden kunnen veroorzaken. Hij wordt daarom bestreden en weggemaaid, maar is nu niet meer gemakkelijk weg te krijgen. Ook de Reuzenbalsemien is een invasieve exoot en moet volgens de wet bestreden worden omdat hij de natuurlijke vegetatie verdringt.
Verstoorde vegetatie
Verder staat hier veel Braam, Brandnetel en Kleefkruid, alle indicatie voor zeer stikstofrijke en verstoorde vegetatie maar de planten zijn ook waardplanten voor veel insecten. Aan de waterkant staan vooral Schietwilgen en Vlier.
Struinen we verder naar het noorden door het struweel dan wordt het steeds natter en wordt de ondergroei voornamelijk bepaald door Oeverzegge met daartussen Gele lis. Valeriaan staat in de natte gedeeltes tussen het Riet. Ook vinden we hier naast Schietwilg meer Berkenbomen.
Van vochtig naar droog
Tenslotte wordt het nog natter aan de achterkant van het gemaal en de ondergroei wordt schaarser. Hier zien we als ondergroei ook enkele smalle Stekelvarens en Hondsdraf. Ook vinden we aan de zoom Rode kornoelje, Zomereik, Zwarte els, Appelbes en Rimpelroos.
Als we nu verder langs het water lopen waar geen struiken meer groeien, dan staan we weer in een vegetatie van kruidig en vochtig grasland met Grote ratelaar en Gewoon reukgras. Het is maar een klein stukje, maar plotseling een heel andere vegetatie. Uiteindelijk komen we bij het talud van de IJdoornlaan. Een talud van aangebrachte grond die droger is met soorten als Margriet en Gele kamille.
Lopen we weer terug over het fietspad naar het zuiden dan komen we door een mozaïek van verschillende typen vegetatie. Er staan ongemaaide stukjes met vochtige graslandvegetatie met daarin Echte koekoeksbloem, Glad walstro en zelfs Gele lis. Maar hier staan ook andere soorten die goed tegen maaien kunnen, zoals Groot streepzaad. Waar zand is opgebracht lijkt het meer op een duinvegetatie. Het gras is kort afgegraasd (door konijnen) met daartussen Jacobskruiskruid. Jacobskruiskruid is licht giftig voor konijnen en wordt door hen gemeden. Langs het fietspad staan verder Steenanjer en Veldsalie (beide zeldzaam, maar hier waarschijnlijk verwilderd) en het blauw bloeiende Slangenkruid, een pioniersplant die juist weer goed gedijt op droge en kalkrijke (zand)grond.
Zo valt er heel wat te zien en dan hebben we het nog niet gehad over het mooie uitzicht over de Kadoelerbreek.
Michiel de Goeje
04 juni 2024
Het fietspad Kadoelenpad en het ernaast gelegen wandelpad dat loopt van de Kadoelenweg naar het Vikingpad is een mooie verbinding met waardevolle natuur. Er staat een grote variatie aan planten. Het is geen uniform veldje met alleen maar één dominante grassoort. De zuidkant naar de sloot toe is veel natter dan het middenstuk.
Aan de slootkant staat Gele lis en Riet, maar er staat ook Rietgras dat er net iets anders uitziet dan Riet. Een duidelijk verschil is het vliezig tongetje bij Rietgras i.p.v. het harig tongetje zoals bij Riet. Ook staat in het meest natte gedeelte veel Oeverzegge. Oeverzegge is een forse zegge die vroeg bloeit met haast zwarte, mannelijke pluimen.
Meer in het midden staat er voornamelijk Glanshaver, Ruw beemdgras, Kropaar en op de meer open natte stukken Reukgras. Gewoon reukgras dankt zijn naam aan de toffee-achtige geur die veroorzaakt wordt door de stof cumarine. Dit ruik je vooral goed als je een aantal bladeren een kwartiertje in je broekzak houdt. De vegetatie is een voorbeeld van een kruidenrijk grasland met in het voorjaar Pinksterbloem, Scherpe boterbloem, Grote ratelaar en eind mei, begin juni een heleboel rietorchissen. Hoewel de Gewone rietorchis geen zeldzame plant is, is het toch wel opmerkelijk zo langs een fietspad binnen de ring van Amsterdam. Er staat wel veel hoog Riet dat de orchideeën kan verdringen. Een goed maaibeheer (laat maaien en afvoeren) is wel noodzakelijk. Het verbaast mij dat er nog zo veel staan tussen het hoge Riet. Maar ja, het plantje heet niet voor niets Rietorchis.
Kalkrijk
Een heel bijzonder stukje is een veldje dwars op het Kadoelenpad en naast de IJdoornlaan.
Op de helling van het talud dat bestaat uit kalkrijke grond staan veel Margrieten, Gele morgenster maar ook een mooi klein grasje met de goedgekozen naam Zilverhaver. De Gele morgenster opent zijn bloem in de ochtend, maar gaat om een uur of twaalf weer dicht.
Iets verder weg van het talud is een vrij open en lage vegetatie die heel bijzonder is. Het is er drassig en er groeien veel mossen. Hiertussen staat Gewoon reukgras, Grote ratelaar, Zeegroene rus en de zeldzame Moeraswespenorchis. Een kwetsbare rode-lijst-soort die wettelijk beschermd is. Het voorkomen op deze plek heeft waarschijnlijk te maken met de basenrijke kwel van water uit het kalkrijke talud. Er staan talrijke exemplaren bij elkaar doordat deze orchidee een uitgebreid stelsel van vertakte wortelstokken heeft. Deze orchidee bloeit juni-juli. Het is een kwetsbare orchidee in een kwetsbare vegetatie, dus loop hier niet zomaar het veld in.
Michiel de Goeje
03 juni 2024
Duinen in de Kadoelerscheg?
Is er in de Kadoelerscheg een duin? Eigenlijk niet maar er is wel een stuk wat sterk op ons kustduin lijkt. We noemen bewust kustduin, want er bestaan ook rivierduinen in Nederland. Eigenlijk zijn duinen door de wind bij elkaar gestoven hopen zand. Op die hopen zand groeien dan na een tijd planten en in de lage delen (duinpan) kunnen meertjes ontstaan. In onze voedselarme kalkrijke heuvelachtige kustduinen groeien vaak specifieke soorten planten en er leven bijzondere dieren. Die leven ook hier in de Banne Buiksloot! Het grasveld is overigens een geliefde plek om honden uit te laten.
Kadoelerduin: historie
Tussen het Vikingpad en de Buiksloterdijk en tussen de Bongerdbrug en de Kadoelerbreek en IJdoornlaan ligt een langgerekt terrein met een diepe sloot, dat we sinds kort het Kadoelerduin noemen. Kadoelerduin omdat delen van het gebied in het verleden zijn opgehoogd met kalkrijk zand en je kunt er planten en dieren aantreffen die ook in onze kustduinen voorkomen, zoals de Nachtegaal en het Konijn. En een klein deel is heuvelachtig. Wat het nog meer bijzonder maakt is dat dit terrein in het noordelijk deel grenst aan een veenmoerasbos, een oorspronkelijk veenweidegebied dat al jarenlang een natuurlijke successie-ontwikkeling laat zien. Langs de veel hogere Buiksloterdijk loopt parallel een diepe sloot die uiteindelijk uitloopt in de breek. Waar deze sloot begint zijn heuveltjes aanwezig in het bos, hoogstwaarschijnlijk ontstaan door stort van grond in het verleden. De dijk waarop de IJdoornlaan is aangelegd bestaat uit kalkrijk zand. Zo'n soort biotoop met al haar overgangen kwam 400 jaar geleden veel voor in het historische Noord-Hollandse kustlandschap.
Hoe is het Kadoelerduin ontstaan?
1845. De dijk is de Noorder IJ-en Zeedijk die we tegenwoordig kennen als Buiksloterdijk en Landsmeerderdijk. Duidelijk herkenbaar zijn de scherpe bocht in de dijk die nu de noordgrens van de woonbotenhaven vormt en de Wilmkebreekpolder.
In de 12e eeuw slaan overstromingen, veroorzaakt door zeespiegelstijging, grote delen van het moerasland rond Amsterdam weg. Het gebied komt onder water te staan en het oer-IJ wordt gevormd. In de 13e eeuw wordt de Waterlandse Zeedijk aangelegd om de bewoners van de natte veengrond te beschermen tegen de toenemende zeespiegelstijging.
Buiksloot ontstaat rond 1275 als een nederzetting van ontginners langs de Waterlandse Zeedijk. Bewoners vestigden zich inmiddels op hogere ruggen in het landschap. Dit zijn voormalige minder diepe veenrivieren waar klei- en zandafzetting heeft plaatsgevonden. Deze ruggen worden tevens verbindingswegen. De boeren leggen vanaf hier hun land droog en ontginnen en ontwateren met lange slagen het veenweidelandschap. Die slagen monden uit in bredere weteringen of ontwateringssloten. Eén van de wateringen kennen we nu als de Nieuwe Gouw. Dit ontwateren heeft verder inklinken van het omliggende veen tot gevolg waardoor het land alleen geschikt wordt voor veeteelt. Bij storm en ontij slaat kwetsbare veengrond in grote getale weg; dit krijgt de naam Waterwolf. Meren, zoals het Buikslotermeer, het Broekermeer en het Durgerdammermeer, ontstaan. De bouw van de Zeedijk volgt veelal stevige ondergrond, waardoor sommige stukken land buitendijks komen te liggen.
Peter Wouterse
28 mei 2024
Het doel van dit onderzoek is om te zien welke soorten vleermuizen er voorkomen binnen de deelgebieden 6 (Nieuwe Gouw West) en 7 (Kadoelerbreek/Buiksloterbreek). Er zijn waarnemingen bekend van de Gewone/Ruige dwergvleermuis, Laatvlieger en Meervleermuis. Bijna alle waarnemingen betreffen waarnemingen net ten zuiden van het park aan de Buiksloterbreek. Doel is om op meer locaties vleermuissoorten aan te treffen. Ook is het mogelijk om de Watervleermuis of een overvliegende Rosse vleermuis aan te treffen.
Het is belangrijk om te weten welke foerageergebieden van groot belang zijn als foerageergebied voor vleermuizen, want deze moeten zoveel mogelijk behouden blijven. Wanneer er meer dan vier soorten vleermuizen tegelijk foerageren in een gebied, kan dit gebied aangemerkt worden als essentieel. De meervleermuis is een van de meest zeldzame vleermuissoorten van Europa. Het zwaartepunt van de Europese populatie lijkt in Nederland te liggen. Hij is vooral te vinden in open veenweidegebieden en zeekleigebieden. Kraamkolonies zijn vooral gevonden in het westen en noorden van Nederland. De verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebieden binnen Noord-Holland zijn dus enorm belangrijk voor het voortbestaan van de populatie. Het vaststellen van vliegroutes kan helpen bij het beter in kaart brengen van waar de soort voorkomt.
Martijn Korthorst (Natuurlijke Zaken)
Verslag van de quick-scan
Kim van Natuurlijke Zaken heeft op 30 mei samen met de bewoners Ursela, Rozemarijn, Harry, Michiel en Tello een vleermuisronde in de Kadoelen gemaakt. De ronde startte om 23.00 uur bij het Eduard Douwes Dekker-huis en met de fiets gingen we op weg. Het ging jammer genoeg regenen; dat is een nadeel omdat vleermuizen dan minder actief zijn omdat hun voedsel, vliegende insecten, gaan schuilen. Tussen de buien door was het wel droog en windstil en daarom voelde het niet koud aan. Ondanks de regen zijn we op een aantal plekken gestopt, zoals op bruggetjes, om op het zicht en met de nachtkijkers te speuren naar vleermuizen die over het water vlogen, of te luisteren naar het geluid van de bat-detectors. Niet alleen Kim maar ook Michiel hadden bat-detectors bij zich en Kim en Rozemarijn hadden nachtkijkers meegenomen. Vanwege de regen werden er helaas maar op een paar plekjes drie soorten vleermuizen gespot, de Dwergvleermuis, Ruige dwergvleermuis en de Rosse vleermuis. Maar Kim gaat de opgeslagen gegevens thuis nog verder onderzoeken. Helaas hebben we geen Meervleermuis kunnen waarnemen. We hebben wel de Nachtegaal horen zingen in het Buiksloterbreekpark en tijdens de ronde konden we goed waarnemen hoe fel de verlichting is rond de sportvelden (zie foto). De sfeer was gezellig en het was ook spannend om in het donker in de motregen door de Kadoelerscheg te fietsen op zoek naar vleermuizen. Wat mij betreft was het een geslaagde excursie.
Tello Neckheim
Rode wegslak/Spaanse wegslak, 27 mei 2024
De meeste mensen vinden naaktslakken maar niets, ze eten de jonge plantjes op in je moestuin en je glibbert er op uit als je er per ongeluk op stapt. Vastpakken is vies en lastig omdat hun slijm erg taai is. Maar ook hier geldt: onbekend maakt onbemind.
Naaktslakken heten zo omdat ze geen huisje hebben om zich terug te trekken, maar is dat wel zo? Er leven in Nederland ook halfnaaktslakken, slakken met een heel klein huisje of schildje. En tenslotte hebben naaktslakken ook een huisje maar dat is gekrompen tot een klein schildje en zit onder hun mantel. Dat noem je rudimentair. Net zoals de poten van een slang (als nageltje) of de poten van een walvis (als vinnen).
Er zijn 29 soorten naaktslakken bekend in Nederland. En in de laatste jaren is dat aantal gestegen doordat zuidelijke soorten steeds vaker in Nederland worden gezien.
In onze scheg zijn tot nu toe 12 soorten gezien en gefotografeerd. Ook een aantal zeldzame soorten werden aangetroffen. Hoe herken je al die verschillende soorten?
Naaktslakken zijn niet allemaal groot en vies. Sommige soorten blijven klein en zien er mooi gekleurd uit; die zal je amper in je tuin vinden zoals de Kleine akkerslak, en een soort die leeft in kelders of in de kruipruimte van je oude huis, dat is de Lichte aardslak. Weer een andere soort leeft vooral ondergronds, de Wormnaaktslak.
De Rode wegslak en de Spaanse wegslak kunnen respectievelijk 10 en 8 cm lang worden en als ze honger hebben gaan ze ’s nachts flink eten van vooral verse blaadjes. Deze soorten zijn heel moeilijk van elkaar te onderscheiden en worden daarom als een duo benoemd: Rode/Spaanse wegslak. Het gekke is dat de Rode wegslak vaak niet rood is maar bruin, grijs of iets daar tussen in. De Spaanse wegslak komt wel van oorsprong uit Spanje. Waarschijnlijk kruisen beide soorten ook.
De Spaanse aardslak is een nieuwkomer en komt van oorsprong ook uit Spanje. Het middelgrote slakje (3-4 cm) is grijsgekleurd en soms gelig maar meestal met een wat paarse gloed, en is vooral herkenbaar aan twee wat donkere banden die langs het zadel lopen. Deze soort is vaak te vinden in tuinen.
De Tijgerslak, of eigenlijk de Grote aardslak ziet er vaak indrukwekkend uit. Ze kunnen gestreept zijn als een tijger maar ook gevlekt als een panter. Ze kunnen wel 20 cm lang worden. De Tijgerslak vind je vaak alleen en ze eten naast planten ook dode diertjes. Het eigenaardige is dat ook Wegslakken aas eten en zelfs hun platgereden soortgenoten op een fietspad, die dan op hun beurt weer platgereden worden ...
De Tijgerslak heeft een indrukwekkend paringsritueel. Twee slakken (ze zijn tweeslachtig, dus ze mogen kiezen wie man of vrouw speelt) volgen elkaar eerst en kruipen dan op een boomstam of muur. Ze plakken aan elkaar vast en maken een dikke draad waar ze aan gaan hangen. Hun geslachtsorganen puilen uit hun kop en kunnen wel 30 cm lang worden. Deze geleiachtige lange draadvormige organen slingeren om elkaar heen en daar vindt de bevruchting plaats. Als de lange geslachtsorganen weer ingetrokken zijn gaat een van hen eieren leggen, 10 tot 30 witte kleine bolletjes onder een houtje of steen. Daar komen dan na een paar weken zeer kleine naaktslakjes uit.
De Egel-wegslak is klein, zo'n vier centimeter maximaal. Ze kunnen grijs- maar ook geelgekleurd zijn. Niet makkelijk, maar hun tuberkels (structuur op het lichaam dat lijkt op een wybertje) zijn enigszins stekelachtig. Als je dit eenmaal bewust gezien hebt, herken je de soort snel.
Naaktslakken worden gegeten door lijsterachtigen, door egels, door muizen en ook door grote vogels als Gaai en kraaiachtigen. Ook kikkers en padden willen wel een klein naaktslakje verorberen.
Als je er veel last van hebt, leg dan ’s avonds in je tuin een natte krant of stuk karton neer of een natte boterham en de volgende ochtend zal je er dan tientallen slakken onder en op zien zitten. Doe dat een paar keer en zo kun je honderden naaktslakken vangen (in een emmertje doen met een handschoen aan) en ze dan ergens neerleggen op een grasveld of in bosjes ver van je tuin.
Tello Neckheim
Invloed van zout op de vegetatie in de Kadoelerscheg
23 mei 2024
De invloed van zout in de Kadoelerscheg is goed te zien aan de vegetatie in de Wilmkebreekpolder. Dit zout is waarschijnlijk vooral afkomstig uit kwel van brak water uit het Noordzeekanaal.
Met name is dit te zien aan zouttolerante planten in de Wilmkebreekpolder. Hier zien we veel Heen (Bolboschoenus maritimus) aan de oevers van de sloten staan. Deze tot 1,5 meter hoge plant met driekantige stengel kan brak water goed verdragen en wordt daarom ook wel Zeebies genoemd.
Een andere soort die we ook wel tegenkomen in de Wilmkebreekpolder is het Moeraszoutgras (Triglochin palustris). Zoals de naam al zegt, een plant die ook zouttolerant is.
In de greppels van de Wilmkebreekpolder staat het zoutminnende plantje Goudknopje. Dit plantje staat langs de greppels en in de weilanden die ‘s winters langdurig onder water staan. Dat levert een specifieke flora op met pioniersoorten als Beklierde duizendknoop, Zilverschoon, Schijfkamille, Grote weegbree, Moerasdroogbloem en Goudknopje.
Deze vegetatie kunnen we beschouwen als een plantengemeenschap (rompgemeenschap) Goudknopje 29RG6 (veldgids Rompgemeenschappen, Schaminee et al., 2015), met de hier ook aanwezige begeleidende soorten Greppelrus, Grote weegbree, Zilverschoon, Blaartrekkende boterbloem, Moeraskers, Schijfkamille, Spiesmelde, Heen en Beklierde duizendknoop.
Deze zoutminnende vegetatie is de laatste jaren flink toegenomen en de greppels kleuren mooi heldergeel van het Goudknopje in de maanden juni en juli.
Michiel de Goeje
Minislakjes in de Kadoelerscheg
18 april 2024
Zoals jullie weten proberen we een goed beeld te krijgen over wat er allemaal voor planten en beesten in de Kadoelerscheg te vinden zijn. Natuurlijk kijken we dan ook naar de slakken, maar de slakkenkenner weet dat er ook minislakjes zijn. Vaak kun je die slakjes niet met het blote oog zien. Maar als je strooisel verzamelt en dat thuis uitzoekt vind je ze wel. En wij willen ook de minidiertjes in kaart brengen.
We zijn dus op zoek gegaan naar de allerkleinste en dan praten we over rond de 2 mm en kleiner. De volgende soorten hebben we al gevonden: Dwerg-korfslak, Slanke dwergslak, Kleine kristalslak en tot slot het Dwergpuntje. Nou, de namen zeggen het al, het zijn erg kleine slakjes. Deze soorten leven verborgen in een gezonde strooisellaag en leveren hun bijdrage aan het minihabitat. Ze eten schimmels en/of dode plantenresten en zetten dat om in humus, net als de wormen. Nuttige diertjes dus. De grote soorten slakken doen dat ook maar die kleintjes zijn vaak in de meerderheid. Alleen komen ze niet voor in opgeruimde tuinen, vaak gemaaide grasvelden en veel betreden plaatsen. Als je deze diertjes tegenkomt, kun je vaak spreken van een ongestoorde biotoop en een gezond ecosysteem.
Er is ook een ondergronds levend minislakje gevonden, lees verder bij het Aardschijfje.
Tello Neckheim
08 april 2024
Het ecologisch onderzoek wordt uitgevoerd door Natuurlijke Zaken (NZ). De gemeente betaalt dit onderzoek uit de gelden van Aanpak Noord, de Adviesgroep (samengesteld uit bewoners van dit deel van Amsterdam Noord) is de opdrachtgever. Het onderzoek is gestart in december 2023 en wordt september/oktober 2024 afgerond.
Natuurlijke Zaken heeft eerst achter het bureau uitgezocht wat er al bekend is over de natuur, de ecologie, het water en de bodem van de verschillende delen van de Kadoelerscheg. Op grond daarvan weten de ecologen wat ze verwachten aan natuur in de verschillende delen van de scheg. Vervolgens wordt het hele gebied bekeken door middel van zogenaamde quickscans. Uit de quickscans moet duidelijk worden of de natuur aan de verwachtingen voldoet of niet, ook wordt gekeken hoe het zit met de ecologische verbindingen. De resultaten van deze quickscans resulteren in kansen, bedreigingen en kwaliteiten van de scheg; ook zullen er gebieden of soorten verder onderzocht moeten worden.
Dat verdere onderzoek gebeurt in de vervolgonderzoeken. Dat kan een onderzoek zijn naar een specifiek dier, of een onderzoek hoe het zit met de (verstoorde) verbindingen tussen gebieden. Deze vervolgonderzoeken worden deels door NZ uitgevoerd, deels door (deskundige) bewoners. Met name aan deze vervolgonderzoeken kunnen bewoners deelnemen.
Uiteindelijk schrijft NZ een eindrapport over dit onderzoek en komen ze met een visie op het beheer: hoe kan voortaan de natuur in de Kadoelerscheg behouden blijven dan wel verbeterd worden en hoe kunnen ongewenste ontwikkelingen vermeden of te niet gedaan worden.
Globale planning
April en mei: quickscans van de 7 deelgebieden door de ecologen van NZ en deskundige buurtbewoners.
Eind mei – juni: Tweede ronde deelgebieden bezoeken (één specifiek over de vleermuis) door de ecologen van NZ en deskundige buurtbewoners.
20 juni: Bijeenkomst over de ecologie in de Kadoelerscheg voor bewoners, ecologische deskundigen en politici met een onderzoeksactiviteit bijvoorbeeld waterbeestjes en waterkwaliteit of leren werken met ObsIdentify en Waarneming.nl
Mei - juni – september: soortenexcursies: bijvoorbeeld ’s avonds gierzwaluw en vleermuis; overdag vlinders, bijen en libellen; nachtvlinderexcursies; excursie over vissen;
September: oplevering concept-rapport
Oktober: eindpresentatie
Nynke de Vries









%20kopie.webp)












