Wilde bijensafari bij Henk
Ik neem jullie graag mee de tuin in op zoek naar wilde bijen, die tot nu toe dit jaar waargenomen zijn. Hommels zijn ook wilde bijen, dus die tellen ook mee. Vorig jaar zijn er flink wat zaden van inheemse planten uitgestrooid en zijn er tweejarigen opgekweekt. Omdat veel exoten zijn ingewisseld voor inheemse planten, krijgen die nu meer ruimte en is er een heel afwisselend bloemenaanbod ontstaan. Eigenlijk best onnatuurlijk, want deze diversiteit aan planten kom je in de natuur niet gauw tegen op zo’n klein oppervlak.
We bezoeken de bijen zoveel mogelijk in chronologische volgorde zoals ik ze bij de eerste waarneming in de tuin ben tegengekomen.
02 maart: Aardhommel. Onmiskenbaar door de zwart-geel-zwart-geel-zwart-wit-tekening. Dit is vaak de eerste soort hommel die je in het voorjaar tegenkomt en is actief vanaf maart tot oktober). Hommels zijn dicht behaard en kunnen goed tegen kou. In het voorjaar halen ze nectar uit bloeiende bloembollen en schakelen daarna over op andere vroegbloeiers, zoals struiken, Prunus en Wilg. Rond half mei bloeit de Adderwortel en daar foerageren ze ook graag op, maar het is een hommel met weinig bloemvoorkeur. Als ze veel moeite moeten doen om bij de nectar te komen dan breken ze bij de bloem in, zoals bij Akelei. Hommels hebben een lange tong en daarmee bereiken ze de nectar wel, maar het gaat sneller als ze aan de buitenkant dag deel doorbijten waar de nectar zit. Er vindt dan geen bestuiving plaats. Andere insecten, die geen lange tong hebben, maken daar weer dankbaar gebruik van.
05 april: Gewone sachembij. Een hommelachtige en behaarde voorjaarsbij die vaak te vinden is bij Kruipende smeerwortel. Op deze vroege bloeier zie je eerst de mannetjes in een ongelooflijke snelheid voorbijvliegen om na een korte nectarstop weer verder te scheuren. Later in hun seizoen, van maart tot half juni, heb je meer kans om een rustiger vrouwtje hangend aan een bloem te fotograferen. Als je een flinke brok leem op een beschutte plek zet, dan heb je een grote kans dat daar een nest in gemaakt wordt.
05 april: Rosse metselbij. Deze bij is heel goed te bekijken. Als je een bijenhotel hebt, kun je goed meemaken hoe ze een nestje maken. Bij het bijenhotel zitten de net uitgeslopen mannetjes te wachten op de vrouwtjes. Zodra die uit hun broedcel kruipen proberen ze met hen te paren. Daarna vliegen de vrouwtjes af en aan met nectar en stuifmeel om voor hun nageslacht te zorgen. De Rosse metselbij is actief van begin maart tot eind juni. Fruitbomen staan dan ook in bloei en daar zitten ze graag op, maar ook op Speenkruid en andere vroegbloeiers. Hou ook de stam van bomen in de gaten, want op de boomschors kunnen ze uit de wind zitten zonnen en weer nieuwe energie opdoen. Het zijn goede bevruchters (beter dan Honingbijen) en daarom wordt hij bij fruitkwekerijen steeds vaker gekweekt.
10 april: Groefbij. Er zijn veel soorten groefbijen en de bij op de foto is waarschijnlijk een bandgroefbij, maar ook daarvan zijn er meerdere soorten. Het is lastig om ze goed op naam te krijgen en dat is me in de jaren dat ik insecten fotografeer nog niet één keer gelukt. De groef is centraal geplaatst op het laatste deel van het achterlijf. (Op deze foto niet te zien.)
11 april. Roodgatje. Een algemeen voorkomende zandbij die je vanaf half maart tot begin juli kunt vinden. Het vrouwtje is makkelijk te herkennen aan de rode achterlijfspunt, maar bij een mannetje is die lastiger te zien. Voor de paring lokt het mannetje het vrouwtje met geur. Ze foerageren op Wilg, Meidoorn en fruitbomen, maar ook op Bosanemoon, Fluitekruid, Klein hoefblad, Boterbloem enz.
5 mei: Steenhommel. In maart zie je soms al de eerste grote hommels vliegen en dat zijn de koninginnen. Zij hebben de winter op een rustig plekje overleefd en zijn nu druk bezig om zich aan te sterken. Daarna zoeken ze een geschikte locatie, vaak ondergronds, om een volk te beginnen. Voorjaarsbijen kunnen niet kieskeurig zijn, maar gelukkig zijn er bloeiende planten als Paardenbloem en bomen zoals Prunus en Wilg. De Steenhommel is een donkere hommel met een bruin-oranje achterlijfspunt.
20 mei: Grote klokjesbij. Vorig jaar heb ik Ruig klokje gezaaid en nog voor de winter al flinke planten geplaatst. Die staan dit jaar te bloeien en worden dankbaar bezocht door de Grote klokjesbij. Er vliegen soms wel 10 bijtjes rondom de stengels met bloemen. Je kunt ze dus op deze manier makkelijk naar je tuin lokken.
26 mei: Dikkopbloedbij. Bloedbijen herken je snel aan het rode achterlichaam. Deze koekoeksbij parasiteert op de Roodpotige groefbij en Gewone geurgroefbij (zit er vrijwel elk jaar, maar nu nog niet gezien). De Dikkopbloedbij legt haar eieren in de nesten van gastheer en de larven eten vervolgens de larven van de gastheerbij op. Daarna eten ze de voorraad nectar en stuifmeel, die oorspronkelijk voor de gastheerlarve bedoeld was. Het is een goed teken om dit soort parasieten te zien, want het betekent dat er ruim voedsel voorradig is. Op de foto is een vrouwtje te zien op Zevenblad. Op zulke composieten foerageren ze graag. Het is een algemeen voorkomende bloedbij en ook het hele jaar te zien, maar deze waarneming is voor mij het eerst in de tuin.
26 mei: Fluitenkruidbij. Ook dit is een eerste waarneming. Ze zijn van begin april tot eind juli te vinden. Dit jaar staat het Zevenblad uitbundig te groeien, want op hun schermbloemen zitten een breed scala aan insecten. Ze foerageren ook op andere schermbloemigen zoals Fluitenkruid, Berenklauw en Kervel. De Fluitenkruidbij is een zandbij. Daarvan zijn er in Nederland ongeveer 80 soorten. Het voordeel van een nest bouwen in de grond is dat het klimaat onder de grond redelijk stabiel is. Je hebt als bij dan wel een inwendige wekker nodig om te weten wanneer je het volgende jaar weer naar buiten moet.
26 mei: Grote bladsnijder. Het mannetje op de foto zit even te zonnen. Hij is actief van half mei tot eind augustus en foerageert op rolklavers, distels, klokjes en Wilgenroosje. In het bijenhotel zit ie graag te slapen en zit dan met zijn kop naar de uitgang.
26 Mei: Ranonkelbij. Deze klokjesbij vind je niet op Ruig klokje, maar op Boterbloem (Ranunculus in het Latijn). Actief van half april tot eind juli. Het vrouwtje maakt haar nest in holtes van bomen, in holle stengels en soms in bijenhotels.
26 mei: Wormkruidbij. De wormkruidbij is een zijdebij en dat refereert aan het materiaal dat het vrouwtje aan de binnenzijde van het nest in de grond maakt. Die is schimmelwerend en waterafstotend. De bij is onderdeel van drie erg op elkaar lijkende soorten en dat wordt dan een soortencomplex genoemd. Ze foerageren op Boerenwormkruid, maar ook op Duizendblad, Kamille en Margriet. Je kunt ze vinden van eind mei tot eind september. Het was dus een vroege vondst.
26 mei: Gewone maskerbij. Een klein zwart solitair bijtje van 4-5 mm. met een geel masker op het voorhoofd. Van half mei tot eind september actief en bezoekt composieten en schermbloemen. Een algemeen voorkomend bijtje.
03 juni: Tronkenbij. Als de Tronkenbijen actief worden, zo rond half mei, dan worden eerst de oude nesten helemaal leeggehaald. Dat is goed te zien als je een bijenhotel hebt, want dan ligt er een geel spoor onderaan het hotel. De mannetjes met een gekromd achterlijfje zitten rond het hotel de vrouwtjes met hun oranje buikschuiers in de gaten te houden. Het is een solitaire bij, maar ze zitten graag met een hoop bij elkaar. Bij warm weer gonst het voor het hotel. Ze vliegen graag op gele composieten zoals Reukeloze kamille, Jacobskruiskruid en straks op Heelblaadje. Het is een leuke bij om te observeren.
03 juni: Grote wolbij. Het is een flinke bij die iets op een wesp lijkt maar veel ronder is. Dit vind ikzelf de leukste bij. Hij is niet bang en verdedigt zijn territorium fel. Met de stekels op zijn achterlijf kan hij trouwens een hommel flink beschadigen. Alleen de vrouwtjes mogen bij ‘zijn’ bloemen komen foerageren. Hij is dus goed te bekijken. Rond mei verschijnen ze als de eerste Bosandoorns bloeien. Ze vliegen op Betonie en andere andoornsoorten, maar ook Hartgepan wordt goed bezocht.
03 juni: Andoornbij. Deze bij hoort bij de sachembijen, dat zijn stevige en snel vliegende bijen. Het is een kwetsbare bij die je maar sporadisch ziet, maar hij komt elk jaar trouw terug. Er wordt voor gezorgd dat er zo lang mogelijk nectar is met vroegbloeiende Bosandoorn dan Betonie en ten slotte Moerasandoorn in de buurt. Omdat ze hun nest in rottend hout maken, liggen er hier en daar rottende stronken in verschillende stadia. Ik weet namelijk niet hoe ver het hout verrot moet zijn.
14 juni: Blauwe metselbij. Na een paar jaar weggeweest weer gezien in de buurt van een mogelijke nestholte. Dat kunnen allerlei soorten gaten en holen zijn. Ze foerageren op Hondsdraf, Kattenkruid en andoornsoorten.
15 juni: Tweekleurige zandbij. Ik heb een foto van vorig jaar genomen om een vrouwtje te laten zien, want de foto van dit jaar was vrij wazig. Ze heeft een roodbruin borststuk en donker achterlijf en verzamelt het stuifmeel in de haren van haar achterpoten. Ze zijn niet kieskeurig met bloembezoek, zoals Wilg, Paardenbloem, Klein hoefblad, Speenkruid en andere vroegbloeiers. Zij maken een nest in de grond. Sinds ik dat weet, schoffel ik niet meer en ben behoedzaam met in de grond wroeten. Een tweede generatie van deze bij zie je soms nog verder in het seizoen.
25 juni: Gewone slobkousbij. Als je Puntwederik of beter nog Grote wederik in de tuin hebt, dan is daar zeer waarschijnlijk ook deze donkere bij te vinden van 7-8 mm. Vooral het vrouwtje is opvallend met witte haren op haar achterpoot, waarmee ze de stuifmeel en olie uit de bloem verzamelt en naar haar nest kan brengen. Grote wederik groeit in vochtige aarde en daar maakt deze bij ook haar nest. De olieachtige substantie uit de bloem beschermt haar nest tegen water.
25 juni: Gewone tubebij. Dit is de koekoeksbij op de Tronkenbij en is actief van eind mei tot september als de Tronkenbij druk bezig is met het verzamelen van nectar en stuifmeel. De Gewone tubebij in net zo groot, zo’n 7 mm., als de Tronkenbij. Ze lijken ook op elkaar, alleen heeft de gewone tubebij geen oranje buikschuier. Ze dringt het nest binnen, legt daar haar eitje en verstopt die in het bijenbroodje, de voedselvoorraad van stuifmeel en nectar voor de larve. Ze foerageert ook graag op gele composieten, zoals haar gastheer.
25 juni: Klokjesdikpoot. Actief van begin juni tot eind september. Ze verzamelen stuifmeel op allerlei soorten klokjes, zoals het Ruig klokje. (Dat is trouwens een dankbare plant en goed slakkenbestendig.) Ze maakt haar nest in de grond.
28 juni: Tuinbladsnijder. Deze bladsnijder is vaker in een stedelijke omgeving te vinden en te herkennen aan de oranje ‘buikschuier’; dat zijn de haren onder op het achterlijf. Zo’n buikschuier vind je bij meerdere bijensoorten en is bedoeld om nectar van de plant naar het nest te vervoeren. Bij de Tuinbladsnijder is die goed te zien.
Je kunt snel zien dat het een soort bladsnijder is, omdat ze met een omhooggehouden achterlijf nectar drinken, een hele kenmerkende positie. Soms zie je een vrouwtje rondvliegen met een rond stukje blad in haar bek. Daarmee bekleedt ze haar nestholte. Ze zijn van begin mei tot eind september actief.
30 juni: Boomhommel. Deze hommel is makkelijk te onderscheiden door zijn oranjebruine borststuk en zwart achterlijf met een witte punt. De werksters foerageren graag op Braam, Roos en Smeerwortel. De eerste Boomhommel zag ik dit jaar op 24 mei, maar ik laat nu een koningin zien van eind juni vorig jaar. Ik had eerder al geschreven dat grote hommels in het voorjaar koninginnen zijn, maar als zij eenmaal bezig is met haar volk, dan komt ze niet meer uit het nest. Vreemd dus om deze koningin gewoon te zien. Onlangs sprak ik een bijenkenner en hij vertelde me dat zulke koninginnen waarschijnlijk zijn besmet met aaltjes. Ze is niet in staat een volk te starten en als ze dat toch zou doen dan zou ze de larven besmetten.
03 juli: Wimperflankzandbij. Het Grijskruid bloeit uitbundig en daar kon ik deze zandbij fotograferen. Te herkennen aan de roodbruine beharing op de rug van het borststuk en het ‘kale’ achterlijf met drie witte streepjes (haarbandjes op de rugplaatjes) en opvallende haartjes op achterpoot. Ze zijn al actief van eind maart tot eind mei en de tweede generatie van begin juni tot eind augustus. De zomergeneratie foerageert vooral op Braam, distels en schermbloemen.
03 juli: Variabele wespbij. Actief van maart tot en met augustus en foerageert op Braam en Jacobskruiskruid en andere bloemen. Op de foto te zien op Grijskruid. Dit is een koekoeksbij en is pas sinds 1995 waargenomen in Nederland. Daarna heeft ze haar territorium langzaamaan uitgebreid en wordt nu dus ook in tuinen waargenomen. Ze parasiteert waarschijnlijk alleen op de Wimperflankzandbij.
03 juli. Geurgroefbij. Er zijn in Nederland twee soorten geurgroefbijen die op foto nauwelijks van elkaar te onderscheiden zijn. Ze heten zo omdat het vrouwtje een zoete geur verspreidt, maar wat de functie daarvan is, dat kan ik niet vinden. Wellicht heeft het te maken om er mannetjes mee te lokken. Om hun nest te maken, zoeken ze een lichte, zanderige bodem. Op de foto is een Geurgroefbij te zien op Knopig helmkruid, maar ze foerageren vooral op gele composieten, Braam en Sporkehout. Dit is een klein bijtje van slechts 6 mm.
03 juli: Akkerhommel. Dit is de meest algemene hommel in Nederland die je van maart tot eind oktober kunt vinden, maar dit jaar veel minder aanwezig in de tuin. Misschien hadden ze vorig jaar last van het natte voorjaar, waardoor hun nesten doodgingen? Er waren wel al eerder in het jaar Akkerhommels aanwezig, maar omdat hij zo gewoon is, kwam hij niet in beeld. Ze bezoeken een breed scala aan bloemen. Op de foto een werkster te zien op Betonie. Enkele jaren geleden vond ik tussen Kruipende smeerwortel een nestje op de grond.
03 juli: Weidehommel. Deze hommel heeft dezelfde tekening als de Aardhommel, maar in plaats van een witte kont heeft de Weidehommel een oranje kont. Deze hommel is dit jaar juist veel in de tuin te zien. Ze maakt haar nest in ondergrondse muizenholen. Braam, Wilg en Smeerwortel zijn hun favorieten planten om te foerageren.
03 juli: Grote koekoekshommel. Dit zijn flinke hommels, die je op Veronicastrum of enkelbloemige Dahlia’s kunt vinden. Je kunt ze makkelijk herkennen omdat ze geen gele middenband hebben. Ze bezoeken allerlei bloemen, vooral exoten zoals hierboven beschreven. Er leven in Nederland 7 soorten koekoekshommels. De Grote koekoekshommel parasiteert op de Aardhommel. Ze lijken erg op hun gasthommel en kunnen daardoor makkelijk in het nest binnendringen. Ze blijf eerst een hele tijd stil zitten en neemt de geur van de andere hommels op en wrijft daarmee haar vacht in. Dan verjaagt ze de gastkoningin of steekt haar dood en begint dan zelf eitjes te leggen. De werksters van de Aardhommel verzorgen dan de larven van de Koekoekshommel. Zelf kunnen ze geen stuifmeel naar het nest brengen.
Henk van Alst