Een glimworm in de Kadoelerscheg

30-03-2026

Een glimworm, ook wel vuurvliegje genoemd, spreekt voor veel mensen tot de verbeelding. In films zie je vaak talloze kleine lichtjes die door een donker bos zweven. In werkelijkheid is een glimworm echter geen worm en ook geen vlieg, maar een kever.

 

Tijdens een schouw op 12 maart in de Kadoelerscheg, samen met Noemie Smit en Melvin Stigter, wees Melvin ons op een historische, drooggevallen sloot in het Kadoelerduin. Deze geul stond in het verleden in verbinding met de Kadoelerbreek en is inmiddels veranderd in een moerassig gebied met begroeiing van wilg, oeverzegge, mannetjesvaren en andere planten die kenmerkend zijn voor natte omstandigheden, zoals riet.

Melvin stelde voor om dit moeras meer open te maken door wilgen te snoeien en riet te maaien. Daarmee ontstaat ruimte voor soorten als de echte koekoeksbloem en de rietorchis om zich verder uit te breiden.

Deze prachtige, wilde en verborgen plek — die bovendien nauwelijks door mensen wordt betreden — vormt een grote aanwinst voor de biodiversiteit in de Kadoelerscheg. Mogelijk fungeert het gebied nu al als kraamkamer voor tal van planten- en diersoorten die gebonden zijn aan moerassige habitats.

Kortschildglimworm

Tello kreeg direct zin om het gebied te onderzoeken op slakken en bezocht enkele dagen later opnieuw de greppel. Op drie locaties nam hij monsters van de strooisellaag. Het materiaal werd aan de lucht gedroogd en vervolgens met verschillende zeven gezeefd. Dit leverde diverse slakkensoorten op, evenals pissebedden, miljoenpoten, kevers, springstaarten, bosmijten, spinnen, hooiwagens (voornamelijk in het larvestadium) en een larve van de kortschildglimworm.

Het oorspronkelijke doel was om het zeer zeldzame moerastolhorentje te vinden, maar de vondst van de glimworm was minstens zo bijzonder, zeker omdat deze soort in Amsterdam zeldzaam is.

In Nederland komen drie soorten glimwormen voor, de grote, de kleine en dus de kortschildglimworm. Alle drie de soorten hebben bioluminescentie (geven licht). 

In Amsterdam-Noord komt deze soort ook voor in het Vliegenbos, waar speciaal voor de glimworm een donkertereservaat is ingericht. Uit literatuuronderzoek bleek bovendien dat de kortschildglimworm in de Kadoelerscheg al eerder is waargenomen, tijdens een TAXON-onderzoek in 2020 in de Wilmkebreekpolder. Daar vond Menno Schildhuizen een mannetje van deze soort.

Lichtvlekken

De kortschildglimworm komt in heel Nederland voor, maar is niet algemeen. De kevers, die ongeveer één centimeter groot worden, leven in tuinen, parken en bossen. De ongevleugelde, zwartgekleurde mannetjes lopen overdag in groepjes rond op open plekken en tussen de vegetatie, vooral bij warm en vochtig weer. De bruingekleurde vrouwtjes zijn vooral in de schemering actief en hebben twee lichtvlekken op het voorlaatste segment van het achterlijf. Ook de mannetjes bezitten deze lichtvlekken.

De larven zijn langgerekt, bruin van kleur met een roze buikzijde en hebben eveneens twee lichtvlekjes op het voorlaatste segment. Bij verstoring lichten deze vlekken pulserend op. De soort wordt het meest waargenomen in de zomermaanden. Over de levenscyclus en verspreiding is nog relatief weinig bekend. De larven leven in een vochtige, ongestoorde strooisellaag en voeden zich waarschijnlijk met huisjesslakken.

In het Kadoelerduin is nauwelijks sprake van lichtvervuiling, wat gunstig is voor deze soort. In de duisternis kunnen de dieren elkaar met hun lichtsignalen makkelijker vinden tussen de vegetatie.