Gewone pad
De gewone pad voelt zich bijna overal thuis: in tuinen, parken, bossen en ook in de Kadoelerscheg.
Overdag verstopt hij zich, bijvoorbeeld onder boomstammen of bloempotten. ’s Nachts komt hij tevoorschijn om te jagen op insecten, slakken en andere kleine diertjes. Padden hebben gifklieren, waardoor ze niet snel opgegeten worden. Toch moeten ze oppassen voor reigers en ratten.
Paddentrek
ln het voorjaar, van maart tot april, na de winterslaap trekken padden massaal naar hun voortplantingsplekken. Als ze daarvoor een weg moeten oversteken, kan dat gevaarlijk zijn. Gelukkig helpen veel vrijwilligers de padden veilig over te steken. Jij kunt ook helpen: zie je een pad op de weg? Zet hem dan in de kant waar hij naartoe kijkt.
Voortplanting
Als de padden bij het water zijn, klimmen de mannetjes op de rug van de vrouwtjes. Dit noem je ‘amplexus’ (omstrengeling). Daarna legt het vrouwtje lange snoeren met eieren in het water. Ook de larven (dikkopjes of donderkopjes) zijn giftig, waardoor ze niet snel door vissen worden opgegeten. Dat maakt padden de meest vistolerante amfibieën van Nederland.
Help de pad!
Wil je padden helpen? Maak dan in je tuin een hoekje met takken, stenen of een boomstam, zodat ze zich kunnen verstoppen. Een vijvertje is nog beter, ook voor andere dieren die bij of in het water leven.